Collega-dichters over werk en leven van Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014)

Donderdag overleed Gerrit Kouwenaar, ook wel de peetvader van de koele, hermetische poëzie genoemd. De winnaar van welhaast alle prestigieuze literaire prijzen die in ons land te vergeven zijn – de P.C. Hooftprijs (1970), de Prijs der Nederlandse Letteren (1989) en de Meesterschapsprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (2009) – stierf op 91-jarige leeftijd in Amsterdam.

Wat is de betekenis van Kouwenaar voor de poëzie, en voor collega-dichters in het bijzonder? Deze vragen stelde HP/De Tijd reeds in 2003, aan de vooravond van de tachtigste verjaardag van de Vijftiger. Een selectie van de antwoorden vindt u hieronder.

Remco Campert
Campert (1929) staat bekend als de ‘meest verstaanbare Vijftiger’. Hij is altijd minder extreem geweest in zijn taalexperimenten dan Kouwenaar, maar vindt hij diens werk daarom ontoegankelijk? “Ik heb Kouwenaars poëzie nooit hermetisch gevonden. Wie dat beweert, heeft niet goed gelezen of aan de hand van een ‘opvatting’ gelezen,” aldus Campert. “Ik voel me zeer verwant, van het begin af aan, met de poëzie van Kouwenaar, ook al schrijf ik zelf anders.”

Wiel Kusters
Toen Kouwenaar zestig jaar werd, publiceerde criticus-dichter Wiel Kusters (1947) Een tuin in het niks. Vijf opstellen over Kouwenaar. Later promoveerde hij op het oeuvre van de door hem bewonderde dichter. Volgens Kusters is Kouwenaar voor veel jonge dichters een eye-opener geweest, wat niet betekent dat ze zich “in zijn heel persoonlijke stijl en wereldbeeld hebben vastgebeten of opgesloten. Dat geldt ook voor mijzelf. Wel zie je nog steeds, of opnieuw, dat zijn werk jonge dichters inspireert. En zelfs bij oudere dichters hoor je som iets terug van die merkwaardige, heel bijzondere ritmiek van Kouwenaar, dat eigenaardige melancholieke maar vitale wegtikken van de woorden.”

Piet Gerbrandy
“Met de poëticale opvattingen van Kouwenaar heb ik niets,” bekent dichter-vertaler Piet Gerbrandy (1956). “Maar ik heb wel iets met zijn techniek, en dan bedoel ik versvorm, zinsbouw, klank, beeldtaal. Pas toen ik vorig jaar een uitvoerig stuk over hem schreef voor de Volkskrant, begon ik me te realiseren dat Kouwenaars taal in mijn bloed is gaan zitten. Hoewel ik een totaal ander dichter ben, vermoed ik dat zijn stijl me wel beïnvloed heeft.”

Menno Wigman
“Zijn poëzieopvattingen zijn altijd wat langs me heen gegleden,” zegt dichter-vertaler en bloemlezer Menno Wigman (1966). “Het leek me allemaal net iets te rigide. Pas toen ik werd gevraagd een gedicht te schrijven voor zijn tachtigste verjaardag, werd ik met de neus op de feiten gedrukt. Ik wilde schrijven over een auto-ongeluk dat hij wonderwel had overleefd. Maar tijdens het schrijven kreeg ik wat moeite met deze al te anekdotische aanleiding, begon ik te twijfelen aan mijn eigen poëtica. Uiteindelijk heb ik toen het gedicht natuurlijk gewoon geschreven zoals het me voor ogen stond: ik werd tenslotte gevraagd als Menno Wigman, niet als Kouwenaar-pupil.” Volgens Wigman spreekt uit totaal witte kamer (ten tijde van schrijven Kouwenaars meest recente dichtbundel waarvoor hij meerdere prijzen won – red.) een toegenomen aandacht voor het persoonlijke. Die ‘wedergeboorte’ heeft volgens Wigman net zo goed te maken met een toegenomen vakmanschap: “Niet eerder heeft Kouwenaar zo vruchtbaar gebruik gemaakt van klank en ritme. Dat zijn gedichten daardoor veel dwingender zijn geworden, lijkt me net zo belangrijk als het feit dat hij inmiddels ook wat ‘persoonlijker’ is gaan dichten. Trouwens, het mooiste dat je als oude dichter kunt beleven, is natuurlijk de unanieme waardering voor je late werk – dat in zijn geval nog lang mee zal gaan.“