Paarden bedanken

Dit zou best weleens een stukje over paarden kunnen worden.

Ooit, toen ik zelf ongeveer een halve pony hoog was en bang was voor alles dat zich niet op twee benen voortbewoog, werd ik op een verjaarspartijtje uitgenodigd door een meisje met lang, blond haar dat achter haar aan wapperde als ze liep, als een gordijn dat voor een open raam hangt. Het meisje had een Penny-schrift, waarin ze – vrij rudimentair – paarden tekende, ze droeg gebreide paardentruien en er zweefde altijd een niet onaangename hooigeur om haar heen.

Dat meisje, dat bijna tastbaar maar ook naamloos door mijn geheugen huppelt, ging elke woensdag naar de manege, waar zij op paarden zat, paarden kamde, paarden schoonspoelde, paarden aaide en – dit was vooral een fantasie van mij – haar geheimen in de oren van een Black Beauty-achtig lievelingspaard fluisterde.
(In mijn herinnering had haar lach iets hinnikends, maar de ervaring leert dat mijn geheugen zich minder van de waarheid aantrekt dan de gemiddelde zoon van Dries Roelvink).

Ze ‘had wel wat met paarden’, zou je kunnen zeggen.
En dus gingen we paardrijden, met de hele klas, of in elk geval met het deel dat mocht van zijn ouders. Ik eindigde die middag in de steenkoude ‘bak’ van de manege (een zanderige ovaal waarin een dozijn paarden ongeïnspireerd rondsjokten) op het grootste paard dat ik ooit zag en sindsdien heb gezien.
Eerst weigerde het beest vijf minuten dienst. Daarna draafde het weg, alsof ik John Wayne was en er tienduizend roodhuiden met giftige pijlen ons op de hielen zaten in plaats van tien Gooise knollen op corveetempo.
Sindsdien bleef ik uit de buurt van paarden; het meisje van het paardenpartijtje ging kort hierna van school en zo verdween ook de geur van hooi uit mijn leven.

Incidentele biefstukjes
Later, meestal rond de Olympische Spelen, keerde het paard nog af en toe terug. Meestal was het een paard met een speciaal talent en Anky van Grunsven op de rug, een allemachtig edel dier dat wat kleur op de wangen van de Nederlandse medaillespiegel hupste. Gelukkig losten ze altijd na de Spelen weer op in het niets, vermoedelijk om in zo’n naargeestig koude bak vier jaar lang verder te schaven aan de pasjes.
Verder bleef mijn bemoeienis met paarden beperkt tot een incidenteel biefstukje.

Iemand in mijn nabije omgeving zit in een rolstoel, hij is zoals dat heet zowel lichamelijk als geestelijk beperkt. Veilig op eigen kracht voortbewegen is een schier onmogelijke opgave, aan sport hoef je niet eens te denken. Toch rijdt hij eenmaal per week paard, schommelt hij elke donderdag op een paardenrug als op een klein scheepje in een storm.
Dat dat bestaat, vind ik precies even geweldig als ongelooflijk.

Foppe
Gisteren kreeg ik een ontroerend klein filmpje toegestuurd, een promotiefilm voor paardrijden met een beperking, onderdeel van de actie www.ugeefttochook.nl. Vanwege het bovenstaande – en ondanks het bovenbovenstaande – was mijn aandacht onmiddellijk gewekt.
Het filmpje begint met een Foppe de Haan, de man die er sinds het einde van zijn trainersloopbaan geen dag ouder is gaan uitzien. Als Foppe een RTL-presentatrice was, zou je zeggen: ze heeft sowieso wat laten doen.
Foppe draagt een roze overhemd. Dat moet je kunnen, een roze overhemd dragen; Foppe kan het.
“Sporten in algemene zin is voor mensen heel belangrijk,” zegt Foppe. Vervolgens gaat het in specifieke zin over heel specifieke mensen die heel specifiek paardrijden. Beelden van jongens, meisjes, soms nog maar kleuters, sommige al pubers, die zich door de paarden laten voortrijden, met een stralende glimlach of opgesloten in hun eeuwige, onzichtbare cel.
Ze zitten, liggen of hangen op een paardenrug. Of twee.

Je weet het natuurlijk niet zeker, maar ik heb sterk de indruk dat ze allemaal op hun eigen manier genieten. En misschien is het vreemd, maar ik wilde die paarden in dat filmpje bedanken. Ik wist alleen niet hoe.
Dat zou best weleens de reden voor dit stukje over paarden kunnen zijn.