Hoe kan dat nou? Je bent zo’n leuke jongen!

‘Hoe kan dat nou?’ vraagt ze. ‘Je bent zo’n leuke jongen!’

Ze bedoelt het goed. Omdat op ieder potje een deksel past, gelooft ze dat er een deksel op elk potje moet. Omdat ze het zelf wel een veilig idee vindt, zo’n deksel.

Ik sluit niets uit voor de toekomst. In een ver verleden heb ik een deksel gehad. Dat beviel prima. Zonder deksel is de ademruimte beduidend groter, dat wel. Ik heb nooit het gevoel dat ik iets mis. Met haar, overigens uitstekende, verstand kan ze daar niet bij.

Je kunt het haar moeilijk kwalijk nemen. Het CDA gaat zwalkend ten onder als een twintig jaar durend laatste uur van de zaterdagnacht, maar die hoeksteen van de samenleving zit er nog altijd ingeprent. Vrijgezellen zie je op televisie enkel tijdens hun zoektocht naar een wederhelft. In de reclameblokken tussendoor hoor je via welke url je zelf een partner kunt vinden.

Neus in de babypoep
Sinds ik de dertig gepasseerd ben, hoor ik het steeds minder, dat ik zo’n leuke jongen ben. Niet omdat ik dat niet meer ben, maar omdat het pijnlijk begint te worden. Vroeger konden ze er nog een leuke twist aan geven. Zeggen: geniet er maar van, voor je het weet zit je dagelijks met je neus in de babypoep. Een klap op de schouder, een hartelijke lach.

Dat was toen. Wie in de goot ligt, trap je niet. Dan worden je schoenen vies.

Binnenskamers hebben ze het erover. Dat weet ik heus wel. Vaak genoeg meegemaakt, vroeger, in mijn deksel-tijd. Zou hij misschien…?, vroegen ze dan. Het h-woord werd niet uitgesproken, misschien omdat ze zelf ook wel wisten dat het een misvatting was om het ene onbegrijpelijke met het andere te verklaren.

Verplichtingen
Ik kijk haar aan en zoek woorden om mijn geluk te omschrijven. Om te vertellen over mijn verplichtingen. Zelf opgelegde verplichtingen. Leuke verplichtingen. Bezoeken aan ouders, vrienden, de sportschool, concerten. De stapel boeken (naast mijn bed), de films (op mijn laptop), het bier (waar niet?). De piano, de stukjes, de interviews, de bundel.

Haar huwelijk is een schaakwedstrijd. Er valt niks te lachen, de tijd tikt weg en er heerst een voortdurende spanning die zelden of nooit uitmondt in een goede vrijpartij. Want dat telt ook mee. Die eerste keer, de sensatie van een nieuw lichaam, een reis door een onbekend land waar de zon sowieso schijnt, ook als het regent. Een ervaring die zij al jaren niet heeft gehad. Misschien nooit gehad heeft, behalve die ene keer, met die ene man.

‘Hoe kan dat nou?’, wil ik vragen. ‘Je bent zo’n leuke vrouw.’

‘Je vindt vast snel een leuk meisje,’ zegt ze.

‘Ja,’ zeg ik. ‘Een vriendin. Dat zou leuk zijn.’