Toch knap, die Epke

Wie zich net als ik wel eens afvraagt hoe dicht een mens de perfectie kan benaderen, moet nog maar eens de oefening van Epke Zonderland van zondag 12 oktober 2014 (gisteren) terugkijken.

Zo goed als Hans van Zetten daar commentaar geeft: dat timbre, die ingehouden opwinding van iemand die het wel zou willen uitschreeuwen, maar die het ten behoeve van de objectiviteit z’n eigen genot nog even onder water houdt, dat zonder te lachen benoemen van die vluchtelementen met rare namen, die kreet ‘HIJ VLIEGT’ die ik tot gisteren alleen kende uit tekenfilms; ja, als dat geen perfectie, weet ik het ook niet meer.
Die Hans, op zijn leeftijd nog het ultieme commentaar geven…
Toegegeven, Epke doet het ook niet onaardig in dat filmpje. Hij zwiept lekker aan die stok, je kunt zien dat ie het vaker heeft gedaan, dat zwaaien. Het ziet er erg indrukwekkend en soepeltjes uit, je zou het – van een beetje lyriek is nooit iemand doodgegaan – zelfs “kunst” kunnen noemen.
Maar is het dat ook?

Vier vluchtelementen
Kijk, ik weet niet hoe het met u is, maar ik had persoonlijk nooit een serieuze poging gedaan om wereldkampioen aan de rekstok te worden. Ik zeg niet dat het me zou lukken, maar als je Epke zo aan die stok ziet draaien als een kip aan het spit, welt de gedachte in je op dat het misschien niet zo ingewikkeld is als het eruit ziet.
Dus heb ik gister eind van de middag gymzaal gehuurd, turnpakje geleend en twee tonnen magnesiumpoeder voor de prijs van een ton magnesiumpoeder aangeschaft.
Stok op de juiste hoogte gehangen.
Warming-upje gedaan.
Daarna was m’n goede vriend Mike zo vriendelijk mij – tegen kleine vergoeding – mij aan de stok te hangen.
En toen was het aan mij. Ik zette in op vier vluchtelementen en een afsprong met dubbele schroef. Als ik dan iets miste, bleef er nog voldoende over.
Daar zwiepte ik.

Eerst een paar inleidende zwaaien, dat ging prima. De beentjes even al zwaaiend in de split, ging goed. Daarna de anderhalve draai en de ellegreep. Was ik ook niet ontevreden over, al had m’n ellegreep ook wel wat weg van de achterwaartse pasar malam-greep – gelukkig was er niemand die het kon zien, want dat had me in een officiële wedstrijd een half punt aftrek kunnen opleveren.
Weer een paar draaitjes, benen strak naast elkaar.
Nu moest ik gaan vliegen.
Vaart maken.
Eerst de Cassina. Die was OK, voor een eerste keer tenminste.
Meteen de Kovacs erachteraan, want zo doet Epke dat ook altijd. Ook ruim voldoende, al had die echt wel wat netter gekund.
Nu moest de Kolman komen. Om eerlijk te zijn: die ging niet helemaal vanzelf. M’n armen werden moe, m’n concentratie nam wat af – dat zijn dingen die je op televisie niet ziet.
Tot slot van die tweede combinatie zou ik er ook nog een Gaylord 2 moeten uitpersen, net als Ep. Misschien had het te maken met het feit dat ik nog nooit eerder aan een rekstok had gehangen, of met dat het laat geworden was de vorige avond, maar ik voelde in de vlucht al dat ik die Gaylord 2 nooit tot een goed einde zou gaan brengen.
Het publiek – als dat er zou zijn geweest – was het nooit opgevallen, maar een jury zou onverbiddelijk zijn geweest: ik besloot op het laatste moment mijn Gaylord 2 te vereenvoudigen tot een Gaylord 1.
Dat redde ik net, al moest het zichtbaar zijn geweest dat het niet vanzelf was gegaan.
Zo, die vier vluchtelementen waren achter de rug. Nu kon ik nog een beetje freewheelen aan die stok, armpje draaien, u kent het wel. En ik moet zeggen: je wordt er wel misselijk van, dat zwaaien op een paar meter boven de grond.
(Eigenlijk moest ik nog een hele draai in de ellegreep maken, maar die liet ik even voor wat het was – het was tenslotte m’n eerste keer).
Ik draaide nog wat op gevoel aan die stok en legde bij wijze van frivoliteit en als compensatie voor de slordigheden nog even m’n benen in m’n nek.
(‘s Avonds belde Mike me op: hij had het even geWikipediaat en wat blijkt? Niemand heeft ooit z’n benen in z’n nek gelegd tijdens een rekstokoefening – ik had mijn eigen vluchtelement verzonnen).
Nu moest ik nog een laatste keer vliegen.
Vaart maken.
Stok loslaten.
(M’n armen waren op dit punt al tamelijk verzuurd, daar ben ik heel open in).
De afsprong was voldoende, al stond ik niet helemaal stil.
Ik groette af en Mike groette terug.
‘Jammer van die ellegreep,’ zei hij.

Toch knap
Thuisgekomen keek ik nog eens naar die oefening die Epke wereldkampioen had gemaakt.
Ja, dat was toch wel knap.
Het klinkt gek, maar wat Epke doet, dat doe je dus niet zomaar even na.