Dichter Lévi Weemoedt: ‘Deze bundel had eigenlijk postuum moeten verschijnen’

Van dichter Lévi Weemoedt (pseudoniem van Izaäk van Wijk, 1948) verschijnt volgende week, na een adempauze van meer dan vijftien jaar, een nieuwe dichtbundel. Het had niet veel gescheeld of hij had de publicatie van Met enige vertraging, zoals de bundel met enige ironie is genoemd, niet mee kunnen maken. Drie maanden geleden werd hij getroffen door een hartinfarct en moest hij twee zware operaties ondergaan. Weemoedt: “Eigenlijk best jammer dat ze me op de operatietafel hebben gered, want mijn dood was voor de verkoop van dit bundeltje natuurlijk uitstekend geweest.”

HP/De Tijd sprak met de dichter, onder meer bekend van Van harte beterschap, kleine trilogie van de treurigheid (1982), De ziekte van Lodestijn (1986) en zijn in 2007 verschenen verzameld werk: Vanaf de dag dat ik mensen zag, over de jaren tussen zijn voorlaatste en laatst verschenen dichtbundel. Wat opvalt: Weemoedt praat zoals hij schrijft. Tragikomisch, met de nodige ironie en af en toe schaterlachend orerend over het glas dat altijd half leeg is.

In de folder van de uitgeverij las ik dat Lévi Weemoedt deze maand veertig jaar bestaat. Is dat iets om u mee te feliciteren?
“Nee, natuurlijk niet. Dat is toch ellendig? Als je bij een bedrijf werkt krijg je na veertig jaar een horloge of, zoals nu vaak het geval is, een schop onder je kont omdat je er al te lang zit. En ik krijg een eigen bundeltje.” Denkt even na: “Trouwens, Lévi Weemoedt bestaat al langer dan veertig jaar. Het klopt dat ik in 1974 onder deze naam ben begonnen met schrijven voor het Amsterdamse studentenblad Propria Cures, maar het allereerste Weemoedt-sonnet verscheen al in ’72 of ‘73 in het clubblad van de zaterdagamateur waar ik voetbalde. Maar ach, laten we zeggen dat Lévi Weemoedt volgende week veertig jaar bestaat. Ze verzinnen bij zo’n uitgeverij altijd wel weer iets om een boek onder de aandacht te brengen.”

Wie heeft dat pseudoniem destijds eigenlijk bedacht?
“Ik heb de naam zelf verzonnen, geloof ik. Maar waarom en hoe weet ik eigenlijk niet. Het zat gewoon ineens in mijn hoofd. ‘Lévi Weemoedt’, dat klonk wel goed. En dat de naam een joodse associatie heeft – mijn echte naam is Izaäk Jacobus en ik heb joods bloed van vaderskant – zal ook wel mee hebben gespeeld.”

Met enige vertraging is uw eerste dichtbundel in vijftien jaar. Waarom heeft dat zo lang geduurd?
“Dat heeft allemaal te maken met externe factoren. Het simpele, banale feit van het overlijden van mijn vrouw – in 2002 was dat – is bijvoorbeeld een hele cesuur geweest. Toen was ik doodeenvoudig niet in de stemming om luchtige versjes te schrijven: ik had twee kinderen, waarvan de jongste nog geen elf jaar oud was, waarvoor ik moest zorgen. Dan beslis niet jij, maar dan beslist het leven of je wel of niet achter de schrijftafel kunt zitten. Pas in 2005 ben ik weer sporadisch wat gedichtjes gaan schrijven. Als afleiding.”

Andere mensen gaan misschien juist poëzie schrijven als het leven tegenzit.
“Ja, maar dat werkt voor mij niet. Ik ben ook niet zo’n poëet hoor. Ik ben niet iemand die zijn hele existentie in prachtige volzinnen weet te verwoorden. Ik rommel maar wat. Bij mij is het meer een soort van satire. En juist die luchtige gedichtjes, dat lukte toen niet meer. Ik kon niet voldoende afstand nemen van dingen.”

Waarin vond u in die tijd dan wel afleiding?
“Mijn werk. Ik heb heel lang schrijvend de kost verdiend. Ik zat jaren op de grote vaart, was altijd bezig met het maken van reisverhalen en altijd veel van huis. Maar toen mijn vrouw ziek werd kon ik dat beroep niet meer uitoefenen, dus ging ik op zoek naar een andere manier om geld te verdienen. En toen ben ik in de bajes gaan werken. In de Grittenborgh. In Hoogeveen. Een plezierige tijd. Ik werd aangesteld als docent voor de buitenlandse gedetineerden, ik geloof dat we jongens hadden uit 162 landen, maar ik was vooral ook een vertrouwenspersoon voor die knapen. Maar goed, toen ik zestig werd moest ik weg omdat ik een zogenaamd ‘verzwaard beroep’ had. Soms werken regels tegen je.”

Levi Weemoedt © Reyer Boxem - HH
Lévi Weemoedt. Foto: Reyer Boxem

Het motto voorin uw bundel luidt: De dag is kort, de dood nabij, dus aan de slag, geen mijmerij! Voelt de dood nabij?
Na een korte stilte: “Nou… je bent er, maar je kunt er ook ineens niet meer zijn. Drie maanden geleden onderging ik een vrij serieuze hartoperatie. Niet dat ik dat zelf serieus neem hoor, ik moet er zelf altijd erg hard om lachen als ik eraan terugdenk, maar andere mensen vonden die operatie niet zo leuk.”

Wat was er gebeurd?
“Om een lang verhaal kort te maken: ik kreeg een gebroken hartaanval. De dokter noemt het een hartinfarct, maar met medische taal heb ik natuurlijk niets te maken – het moet voor ons mensen ook uitdrukken wat het eigenlijk is. Bij mij was het de resultante van ongelukkige liefdes, ellende, tegenslagen, enzovoort. Het verbaasde mij eigenlijk al dat mijn hart, door het bewogen leven dat ik heb gehad, niet al eerder was gebroken. En dat ik dat kreeg heeft helemaal niets met cholesterol of dichtgeslibde aderen te maken, zoals de medici je doen geloven, maar dat had te maken met mijn bewogen leven. Te veel ellende. Vroeger ging je dan gewoon dood, maar tegenwoordig word je opgelapt en moet je het maar weer zien te redden.”

U had het bijna niet na kunnen vertellen, hoorde ik.
“Ja, dat klopt. Toen de zes uur durende operatie achter de rug was en ik op de intensive care lag bij te komen, kwamen ze er bij toeval achter dat er iets mis was gegaan. Het moest opnieuw. En dat is vervelend, want dan moet je nog eens zes uur geopereerd worden. Dan moeten ze je weer helemaal openmaken, en dan ontstaat er gerede twijfel of iemand – zeker iemand van mijn leeftijd – dat fysiek wel aan kan. En twee keer kort achter elkaar onder narcose worden gebracht is ook niet bepaald zegenrijk voor de geest. De kans bestaat dat je een delier krijgt. En dat gebeurde dan ook. Een delier is een soort psychose: je ziet dingen die er niet zijn, en dingen die er zijn zie je niet. Snap je? Dat je een soort vervreemding voelt van de werkelijkheid. Nu leef ik eigenlijk mijn hele leven al met dat gevoel, dus dat was voor mij niet zo bijzonder. Het is alleen wel lastig dat je in het begin geen contact kunt maken met mensen. Jij begrijpt hen niet en zij begrijpen jou niet. Dat geeft een heel eenzaam gevoel. Maar dan, na een week of zo, vind je een modus waardoor het lijkt alsof je weer normaal bent, en dan mag je naar huis. Kun je daar gewoon weer raar gaan doen.”

Bent u toen op enig moment bang geweest voor de dood?
“Nee, angst voor de dood heb ik niet.” Schaterlachend: “En als ik dood was gegaan, dan was ik natuurlijk juichend van de baar opgestaan. Eindelijk! Maar voor de nabestaanden zou mijn dood natuurlijk wat minder relaxed zijn. Kijk, ik heb al een heel leven achter me. Het was geen slecht leven, maar ook geen leuk leven. Maar ik heb gedaan wat ik wilde doen, en dat is goed. En ik heb niet het idee dat ik nog een nieuw land ga ontdekken, of nog een belangrijke uitvinding ga doen – een vervanger van de paperclip bedenken of iets dergelijks – dus als ik nu dood neer zou vallen zou dat oké zijn. Ik ben wat dat betreft wel klaar hier.”

Maar u leeft niet alleen voor uzelf neem ik aan, ook voor anderen.
“Precies, daar zeg je een waar woord. Ik heb natuurlijk ook twee kinderen die het fijn vinden dat ik er nog ben. Dat is dan misschien ook wel de reden dat mij nog wat extra tijd is gegeven, om er voor hen te zijn.” Dan, met een zekere ironie: “Maar als ik wel dood was gegaan, had ik wel een mooi postuum bundeltje gehad. Dat was immers al bijna klaar toen ik die gebroken hartaanval kreeg. En voor de verkoop was mijn heengaan natuurlijk uitstekend geweest. Het is dus buitengewoon onverstandig wat ze daar in de operatiekamer hebben gedaan. Ze hadden me eindelijk eens een rijk man kunnen maken! Maar ik ben er nog. Voor mij is dit eigenlijk alsnog een postuum bundeltje. Dat komt door die associatie: ‘Dit had eigenlijk mijn laatste bundeltje moeten worden.’ Wat dat betreft klopt er iets niet. Ik wil niet klagen en mopperen over de artsen die mijn leven gered hebben, maar literair gezien was het natuurlijk dé oplossing geweest om een punt achter mijn carrière te zetten.”

Beschouwt u dit ook als uw laatste dichtbundel?
“Nee, want ik ben alweer aan het schrijven voor een nieuwe bundel. Maar ik denk niet in bundels hoor. Kijk, als je schrijft dan moet je af en toe publiceren. Maar eigenlijk vind ik dat onzin. En ik kan er ook steeds slechter tegen. Al dat gedoe.”

Dan publiceert u toch niet meer?
“Dat zou je zeggen, maar aan de andere kant is het juist heel fijn om dichtbundels te maken. Mijn uiteindelijke streven is om een boek te maken met mijn allergrootste hits. ‘The best of Lévi Weemoedt.’ Met daarin veertig of vijftig evergreens die iedereen mee kan zingen. Elke muzikant herkent dat: je maakt een cd met twaalf liedjes. Twee daarvan zijn evergreens, de rest is vulling. Een dichter heeft dat ook. Vijf of zes gedichten in een bundel stijgen boven de rest uit, de rest is vulling. Hoe meer dichtbundels je dus maakt, hoe meer evergreens er ontstaan. En, in mijn geval, is elke bundel die ik publiceer weer een trapje hoger dan de bundel daarvoor. Dus er komen steeds meer Weemoedt, met enige vertraging HRvan die evergreens bij. Pas als ik dat heb bereikt, dat ik een boek maak waarin mijn beste gedichten zijn samengevat, is mijn leven geslaagd.”

Maar dat boek zal dan waarschijnlijk pas na uw dood verschijnen, als er geen nieuwe ‘evergreens’ meer kunnen worden toegevoegd.
“Precies. Zul je net weer zien: altijd als het feest wordt, ben ik weer niet van de partij.”

De bundel Met enige vertraging (uitgeverij Nijgh en Van Ditmar) van Lévi Weemoedt is vanaf woensdag 22 oktober te koop. Het boek alvast reserveren kan hier.