Theo van Gogh (1957-2004): drie columns over de vrijheid van meningsuiting

Op dinsdagmorgen 2 november 2004, rond negen uur ’s ochtends, werd cineast, presentator en columnist Theo van Gogh vermoord.

Vandaag, precies tien jaar na dato, staat HP/De Tijd stil bij de columnist Theo van Gogh. Tussen 1993 en 1996 had Van Gogh een column in ons weekblad, waarin hij zijn visie op de maatschappij gaf, relletjes uitlokte met andersdenkenden en regelmatig fel van leer trok tegen de islam en zich uitsprak vóór de vrijheid van meningsuiting. Wij selecteerden passages uit een drietal columns die laten zien dat Van Gogh zich al tien jaar voor zijn dood sterk betrokken voelde bij het onderwerp.

 

Allah is groot (januari 1994)

Mohammed Rabbae: “In een democratie moet iedereen het recht hebben om te zeggen wat men vindt, maar zonder een ander te schaden – dat is denk ik de definitie van democratie die wij moeten hanteren.”
Zalig zijn de onnozelen van geest en ik begrijp best dat Mevrouw Brouwer als in de CPN gepokt en gemazeld gansje zelf ook wat moeite heeft met de werking van vrije meningsuiting. Maar misschien zou ze Mohammed toch ter overweging kunnen geven dat volgens zijn eigen definitie de Koran – een antisemitisch, vrouwvijandig, homoseksuelen hatend werkje – onmiddellijk uit de Nederlandse boekhandel verwijderd dient te worden. Dankzij onze grondwettelijke vrijheid van drukpers gebeurt dat terecht niet. Rabbae: “Rushdie heeft op denigrerende wijze over het privéleven, over de vrouwen van de Profeet geschreven – zo’n verhaal is vernederen voor moslims.”
Ik vraag me af of Rabbae De Duivelsverzen gelezen heeft. Misschien zou Mevrouw Brouwer haar vernederde metgezel kunnen uitleggen dat ’t na 200 jaar christelijke terreur tot de verworvenheden van het Vrije Westen behoort als ongelovige de draak te mogen steken met het Opperwezen, of Hij nu God of Allah heet.

Ik wil best geloven dat de naar verboden hunkerende beroepsbuitenlander Rabbae geen heimwee heeft naar de manier waarop in zijn geboorteland het publieke debat gevoerd wordt. Maar ’t is toch een beetje zielig dat meneers argumenten dertig jaar nadat er geprocedeerd werd omdat Gerard Reve de ezel-aars van God had liefgehad, even stompzinnig klinken als die van de destijds zo gekwetste politici. Persoonlijk lijkt de grote denker Rabbae mij geen aanwinst voor ’s lands vergaderzaal. Toch groet ik hem met een respectvol: “Allah is groot, Allah is machtig, Hij heeft een lul van één meter tachtig.”

Theo van Gogh

Waarheen leidt de weg… (april 1994)

Dat Leon de Winter niet alleen een groot denker is, maar ook een kunstenaar wiens engagement ons allen tot voorbeeld zou moeten strekken, blijkt maar weer ‘ns uit de brochure Handleiding ter bestrijding van extreem rechts, die sinds verleden week de schappen siert. Juist nu de natie wankelt onder de acht Kamerzetels die Janmaat voorspeld worden, juist nu de krachten der duisternis ons dwingen tot een keuze tussen lafheid of heldenmoed, tussen leven of niet-t-leven, nu schiet de adelaar van Oeteldonk ons te hulp en wendt al zijn morele gezag aan voor een onverbiddelijk: “Tot híer en niet verder…”

Onder de kop Dictatoriaal ingaan tegen CD en CP’86 lichtten De Winter en Van der Heijden verleden week in Het Parool hun beweegredenen toe. Zo verklaart de eerste: “Vrijheid van meningsuiting en van partijvorming zijn geen absolute zaken.” Ik herinner me een soortgelijke uitspraak van De Winter in Elsevier, tijdens een enthousiast pleidooi voor ‘de dictatuur van de democratie’. Die term heeft onze Leon geleend uit het jargon dat gebezigd werd tijdens Moa’s Culturele Revolutie, toen miljoenen tegenstanders van De Grote Roerganger over de kling werden gejaagd of in een van de honderden concentratiekampen de zegeningen van China’s democratie werd bijgebracht.

Je zou kunnen zeggen dat het bestrijden van Janmaat en de zijnen met termen uit een ideologie die verwant was aan die van de nazi’s te denken geeft over de spreker zelf. En dat een democratie die haar Janmaats niet in vrijheid van gedachtenuitwisseling de pas kan afsnijden weinig recht van bestaan heeft. Maar in tijden van gevaar (acht CD-zetels in een Kamer van honderdvijftig) passen zulke defaitistische gedachten natuurlijk niet.

Theo van Gogh

Leve de islam! (december 1995)

“Hondsvot,” sprak de voorzitter (Adriaan van Dis – red.) van het Rushdie-comité. “In plaats van die misselijke stukjes te schrijven, zou je je niet ‘ns bezig gaan houden met iets serieus? Bijvoorbeeld hoe wij dienen om te gaan met de fundamentalisten van de islam? Moeten we de dialoog blijven voeren, of vind jij dat we kunnen volstaan met dat platvloerse cynisme van jou?”

Waarom zou je ‘in dialoog’ gaan met mensen die het vrije Westen in hun diepste wezen verachte? Wat heeft Van Dis te schaften met gelovigen die flikkers ‘onrein’ vinden, net als ongestelde vrouwen, ongelovigen of alle anderen die niet aan de normen voldeden van die geitenneuker uit Mekka? Word ik som ook geacht ‘in dialoog’ te geraken met halve garen van de SGP? En wat moet ik met Van Dis’ argument dat de moslim-fundamentalisten zich door het Westen ‘vernederd’ voelen? Waarom gaat Allah’s fanclub dan niet gezellig naar huis, naar eigen land, om Van Dis en mij te haten? Vrije meningsuiting is een groot goed dat ook geldt voor boodschappers van de achterlijkste duisternis. Op de dag dat Van Dis zou worden opgeknoopt door rechtzinnige moslims zal ik hem gelijk geven; lang leve de dialoog. Tot nader order behoud ik mij het recht voor een gevoel van groot onbehagen te koesteren. Maar wie ‘in dialoog’ wil met zijn potentiële moordenaars, mijn zegen heb je. Wat zalig zijn de onnozelen van geest.