Wetenschappers: ‘salamanders met uitsterven bedreigd door schimmel’

De salamanderetende schimmel Batrachochytrium salamandrivorans (Bs) is aan een opmars bezig. Als we niet ingrijpen, kan hij salamanders in Europa en Amerika van de kaart vegen. Dat meldteen internationaal team wetenschappers onder leiding van onderzoekers van de Universiteit Gent in het vakblad Science.

In 2010 merkten vrijwilligers van RAVON (Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland) hoe vuursalamanders in een natuurgebied bij Maastricht een mysterieuze dood stierven. An Martel (UGent) onderzocht de dieren, die met zweren en blaren waren bedekt. De symptomen deden denken aan de schimmel Batrachochytrium dendrobatidis (Bd), die amfibieën over de hele wereld aantast. Bij nader onderzoek bleek het om een verwante soort te gaan, die Martel vorig jaar beschreef in het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences.

In hun nieuwe studie onderzochten Martel en haar collega’s stalen van meer dan 5.000 amfibieën op aantasting door de schimmel, goed voor een 150-tal soorten uit vier continenten. De schimmel bleek niet voor te komen bij amfibieën uit Amerika, wel in enkele vuursalamanderpopulaties in Nederland en België en bij salamanders uit Azië, die veel minder hinder van de schimmel ondervinden.

Huidvreter
De onderzoekers vermoeden dat de schimmel zo’n 30 miljoen jaar geleden in Zuidoost-Azië is ontstaan en Europa bereikte via de internationale handel in salamanders.

Verschillende inheemse salamandersoorten, zoals de kamsalamander en de alpenwatersalamander zijn gevoelig voor Bs en sterven binnen de week. ‘De schimmel dringt de huid binnen en eet vervolgens de huid op’, zegt Martel. ‘De huid, die water en zuurstof doorlaat is een belangrijk orgaan voor amfibieën.’

Volgens Martel is het belangrijk om introductie van de schimmel in nieuwe gebieden te voorkomen. ‘Daarom zouden verhandelde dieren moeten worden gescreend op Bs. In Europa zouden populaties gemonitord en gescreend moeten worden, zodat we weten hoe snel en waar de schimmel zich verspreidt, of hij vanzelf weer verdwijnt en of herstel na een uitbraak mogelijk is. Daarnaast is er nood aan plannen om sterk bedreigde soorten van de ondergang te redden.’