Utrecht Topsportstad

Terwijl de dag zich nog slapende hield, liep ik al door de stad.
Formeel was ik al wakker.

Sommige onderwerpen voor columns dienen zich met veel geraas aan, als types die onuitgenodigd op je feestje komen. Andere onderwerpen voor columns moet je ontworstelen aan het niets en weer andere onderwerpen liggen ergens op je te wachten, maar je weet nog niet waar. Pas als je ze gevonden hebt, weet je: dat is een onderwerp voor een column. Soms zijn die onderwerpen een beetje afgekloven, dan heeft er ’s nachts al een andere stukjesbakker aan gezeten. Die onderwerpen hoef ik niet.
Soms echter is een onderwerp nog onaangetast, gaaf en lekker ruikend als de grote teen van een zuigeling. Dat onderwerp ligt dan onder een boom, of bij een tweedehandsboekwinkel, of het scharrelt wat over straat.
Heel af en toe blijk ik zelf m’n eigen onderwerp, dat zijn vervullende dagen.

Verloren wedstrijd
Het werd me al snel duidelijk dat dit niet zo’n dag was.
Nergens een onderwerp te bekennen – vermoedelijk was de columnist van het Utrechts Nieuwsblad me voor geweest – en zelf voelde ik me niet fit genoeg om een heel stukje te dragen.
De wandeling verloor z’n doel, en won zo met iedere stap aan karakter.
In de Zadelstraat marcheerde een man voor me uit. Hij droeg een kostuum dat iemand met een ander postuur als gegoten zou zitten en schoenen die ik associeer met rechtse mensen. Van de achterzijde leek hij me het soort man dat op de snelweg willekeurige medeweggebruikers uitdaagt voor snelheidswedstrijdjes.
Ik versnelde mijn pas. Passeerde de man, die over de stoep liep, over de straat.
Een fietser belde, vermoedelijk om mijn tempoversnelling met opgewekte tonen te kunnen omlijsten.
Nu zag ik de man van de zijkant. Het was een profiel waar hij geen prijzen mee zou winnen, maar wat geeft dat: de wereld is alleen een schoonheidscompetitie voor mensen die zich daar voor hebben ingeschreven.
Ik liep nu voor de man, het gekliklak van de hakken van zijn twee rechtse schoenen weerkaatste tegen de huizen van de Zadelstraat. Als de hele scene op een andere plek en op een ander tijdstip zou hebben plaatsgevonden, had hij beslist angstaanjagend kunnen worden.
Het kon onmogelijk lang duren voor de man mij weer zou passeren, het was niet het soort man dat het gewend was om gepasseerd te worden.
Toen ik na veertig meter achterom keek, was de man verdwenen.
Twee mogelijkheden: hij was opgelost in het niets uit schaamte over de vernedering die ik hem had toegebracht of hij was de Natuurwinkel binnengelopen.
Hoe dan ook: hij had opgegeven. En dus: verloren.

In mijn lievelingscafé informeerde ik naar onderwerpen.
Helaas, zeiden ze: er waren net twee onderwerpen geweest, ze hadden koffie gedronken en pecannotentaart gegeten, gekaart en weer vertrokken.
‘Had er een online sportcolumn voor een opinietijdschrift ingezeten?’ informeerde ik, want sommige mensen hebben de gekste ideeën over onderwerpen.
‘Wel drie,’ zei de ander.
‘Jammer,’ zei ik, sloeg de dichtstbijzijnde espresso achterover, vergat te betalen en vertrok.
Over de gracht fietste een jongen op een racefiets. Voor de zekerheid hield ik hem staande, maar hij bleek geen onderwerp – ik had het kunnen weten, maar de wanhoop begon terrein te winnen.
In een volgend café stond een man die zijn staart in een muts had opgeborgen bier te tappen voor tien studenten die klonken alsof ze de gelegenheid om iets te vieren met twintig handen tegelijk hadden aangegrepen.
Ze deden wie het eerst halve liters Duits witbier achterover kon klokken.
Een meisje hield de stand bij op een bierviltje.
Bij de derde ronde ontstond er rumoer omdat een van de jongens het witbier voor de helft over z’n overhemd kieperde en daarna trots het lege glas op tafel ramde. Deze ruime interpretatie van de regels leidde tot onenigheid.
Het meisje ging buiten roken om ‘er over na te denken’.
Bij terugkeer gaf ze de jongen met de natte bloes een strafpunt.
De strijd werd uiteindelijk beslist in het voordeel van een zachtaardige reus, die het bier wegklokte alsof er zich in zijn binnenste geen slokdarm, maar een compleet riool bevond. Na iedere geslaagde ad fundum keek hij meewarig om zich heen, als een meesterpianist die ongeoefend een mopje Bach speelt op een verjaardag.
Dichter dan dit ging ik vandaag niet bij topsport komen.

Zo’n dag
Toen ik ’s middags rond een uur of twaalf thuiskwam – het schemerde al – stond het ultieme onderwerp voor mijn deur te wachten.
‘Bezet,’ zei het.
Zo’n dag was het.