‘Van Raider naar Twix, verder veranderde er voor jullie niks’

Vijfentwintig jaar geleden, op 10 november 1989 staat er een vriend voor de deur. De Berlijnse muur is gevallen, en of ik meega, de geschiedenis van dichtbij meemaken. Hij heeft een bijltje bij zich om ter plekke een souvenir uit de muur te hakken, en is daardoor (zonder dat ik mij ervan bewust ben) de eerste muurspecht die ik in mijn leven tegenkom. Hij wijst enthousiast de straat in. Daar staat zijn auto, ik kan zo instappen.

Ik ging niet, iets waar ik mij nooit druk over maakte, tot ik zes jaar geleden razend verliefd werd op Berlijn, zijn geschiedenis, en een enorme honger ontwikkelde naar alle informatie die er over de stad te verkrijgen was. Mezelf voor de kop sloeg die avond niet mee te zijn gegaan.

Wir wollen raus
Oktober 2009 kon ik het een beetje goedmaken. 3 oktober is namelijk de officiële feestdag van de Duitse hereniging, de Dag van de Duitse Eenheid. Toevalligerwijs was ik die hele maand op uitnodiging van het Nederlandse Letterenfonds writer in residence in Berlijn. Opeengepakt tussen duizenden ossies en wessies vierde ik bij de Brandenburger Tor de 20e herenigingdag mee. Heel Unter den Linden, het plein voor de Brandenburger Tor en de daar omheen liggende straten stonden shocking vol. Op Unter den Linden klommen mensen in de bomen, in het hek van de Russische ambassade en het duurde niet lang of er begonnen enkelen ‘Wir wollen raus, wir wollen raus’ te roepen. In no time scandeerde het plein de woorden, bekend van de maandagdemonstraties in Leipzig die vooraf gingen aan de val van de muur, mee. De woede, het oud zeer, het was overal om ons heen. De muur was dan wel 20 jaar geleden gevallen, in de hoofden van de mensen stond hij nog rechtovereind. Daarvoor was er teveel gebeurd, teveel veranderd. Of zoals een cynisch ossiegrapje luidt: Van Raider naar Twix, verder veranderde er voor jullie (het westen dus) niks.

Onzichtbare muur
Anno 2014 loopt er nog steeds een, zij het onzichtbare, muur door Berlijn. Nog steeds worden de bewoners van Oost-Berlijn geconfronteerd met mensen uit het westen die hun goedkope huurhuizen opkopen, er hippe (toeristen)appartementen met torenhoge huren van maken waardoor ze gedwongen worden naar de troosteloze buitenwijken te verhuizen. Ook kan ik mij het verhaal van een ex DDR-gevangene uit Hohenschönhausen nog goed herinneren, die met een brok in zijn keel vertelde dat hij nog elke week met zijn voormalige Stasibeul in de rij bij de supermarkt stond. Die man was, zoals de meeste Stasi-officieren, nooit veroordeeld. Zo zijn er honderden, duizenden verhalen die de tweedeling in Berlijn, anno nu, nog steeds pijnlijk weergeven.

Ik had als dichter en writer in residence in 2009 de taak om over Berlijn te schrijven. Ik schreef de serie: Berlin ist allein, ich auch (Joseph Beuys). Eén gedicht gaat over het voormalig Stasi bolwerk, welke in de volksmond ‘Het huis van de duizend ogen’ werd genoemd. Bij deze:

Het huis van de duizend ogen

Verstopt tussen de grijze Plattenbau aan de Normannenstrasse
slapen de voormalige ogen en oren van de stad. Nog hangt het
wantrouwen hier zwaar in de gordijnen, drukken systemen in
systemen de gefineerde bureaus diep in het tapijt en draagt alles
in dit mosterdvale interieur zijn eigen achterhaalde gelijk.

(Het zit onder mijn haar, ik voel het prikken op mijn hoofdhuid,
deze stad kruipt langzaam in me, oude verhalen verplaatsen zich
naar het nu, gisteren nam een vrouw mij apart en siste dat ze werd
afgeluisterd, ze wist het zeker en haalde haar batterij uit haar tele-
foon. Ik dacht, ze is gek, of ben ik het zelf en voelde hoe achterdocht
zich nestelde, verloor het begin en het eind en wist, zo ging dat hier
dus, een collectieve angst die misschien wel nooit voorbij is gegaan
en achter vriendelijk Berlijnse maskers leeft maar nog elke dag
door de kieren van de stad zweeft.)

Hoeveel afluisterapparatuur ligt nog in schachten en verwarmings-
buizen te wachten tot nader order. Hoeveel vluchttunnels die als ver-
laten konijnenpijpen onder de stad liggen. Hoeveel mensen wachten
nog op de puzzelvrouwen in Neurenberg die hun leven langzaam tot
een eenheid plakken. Dan sta ik onverwacht in een keukentje met
Mariablauwe tegeltjes. Hoeveel mensen wasten hier hun handen
in onschuld.

(C) Johanna Geels 2009