Reportage: de diepe verlangens achter Tussen Kunst & Kitsch

Het meeste wat de mensen meesjouwen in hun plastic tassen is troep. Toch hopen ze allemaal dat ze een schat bezitten. Bert Nijmeijer schrijft in HP/De Tijd 09 over een dagje op de set bij Nederlands populairste kunstprogramma, dat dertig jaar bestaat. ‘Geld is de peper en zout van de kunst.’

Er zijn in de loop der jaren de meest schitterende dingen gevonden bij Tussen Kunst & Kitsch. In 2009 eens een broche van €100.000, in 2013 een collier van diamant en smaragd van €125.000. In 2012 een met spijkers volgespijkerd fetisjbeeldje uit Congo, door expert Jaap Polak (niet-westerse kunst) afgetikt op €150.000. En de topper tot nu toe, in 2010: een schilderij van Jacob van Geel. “Ik kijk mevrouw aan,” zegt expert Willem Jan Hoogsteder (oude meesters). “Twee-hon-derd-vijftig-duizend euro.”

Het is fascinerend: dat mensen dat zomaar in huis hebben, of voor een paar euro hebben gekocht op de rommelmarkt. Ze erfden het van oma, of bliezen het stof eraf bij de brocante langs de weg. Het appelleert aan diepe verlangens, hoop op buitenkansjes, op onverwachte rijkdom, ons geloof in het geluk dat in een klein hoekje zit. Het is een gouden formule. De eerste aflevering van het beroemde kunst- en antiekprogramma van de AVRO, de Nederlandse versie van de Antiques Roadshow van de BBC, was op 31 oktober 1984, dertig jaar geleden. Het eerste object dat in het Singer Museum in Laren ter tafel kwam was een zilveren plantenbak in jugendstil. De eerste vraag van presentator
Cees van Drongelen destijds: “Wat moeten wij hiermee?”

In de jaren die volgden viel de Muur in Berlijn, we kregen een paar economische crisissen voor de kiezen, brandhaarden vlamden op en doofden weer. De Twin Towers in New York staan er niet meer, wij kregen internet, de wereld veranderde, maar Tussen Kunst & Kitsch bleef grotendeels zoals het was. Elk nieuw seizoen klinkt de vertrouwde begintune van Joop Stokkermans, klassiek en toch fris, als gepoetst zilver. Er kijken nog steeds minstens anderhalf miljoen mensen naar het programma. De toegangskaarten voor de opnamedagen, per keer 1000 tot 1200 stuks à €10, zijn binnen een paar uur verkocht. Het lidmaatschap van de fusieomroep AVROTROS zit bij de prijs in. De verse leden wikkelen hun mooiste artefacten in doeken, laden ze in koffers, tassen, op karren, en brengen ze naar de experts, voor ‘het verhaal erachter’, maar uiteindelijk vooral voor de hamvraag van het programma: zeg mij, wat is het waard?

Negentig procent van wat ze meenemen is rommel, volgens de experts. Natuurlijk noemen ze het niet zo, daar zijn ze te aardig voor. Ze zullen het woord ‘kitsch’ niet gauw in de mond nemen. Liever spreken ze van decoratief; van emotionele waarde misschien, maar oninteressant voor de handel. De bezitters, die de poort tussen kitsch en kunst
net voor hun ogen zagen dichtgaan, houden zich meestal flink. “Leuk om te weten.”

Het volledige artikel van Bert Nijmeijer is te vinden in HP/De Tijd 09, die nu in de winkel ligt en die u hier direct online kunt kopen.