Waarom de onderhandelingen tussen de FARC en Colombia dreigen te mislukken

Na de ontvoering van de Colombiaanse generaal Rubén Alzate door de FARC in de dichte jungle in het westen van Colombia heeft de Colombiaanse overheid de al twee jaar durende vredesbesprekingen met de rebellengroepering abrupt gestopt. Het vredesproces van de laatste jaren werd als de meest kansrijke en constructieve dialoog sinds jaren gezien, maar was eigenlijk bij voorbaat gedoemd op niets uit te lopen.

De marxistische rebellenbeweging die sinds 1964 strijd levert met de regering, verkeert sinds oktober 2012 opnieuw in dialoog met de Colombiaanse overheid nadat vredesbesprekingen een decennium eerder de partijen niet dichter bij elkaar konden brengen. Na initiële drukte in de media rondom de hernieuwde dialoog te Havana en te Oslo – bij de Nederlandse pers niet in de laatste plaats omdat de Nederlandse Tanja Nijmeijer onderdeel van de onderhandelingsdelegatie uitmaakte – is het erg stil geworden. Veel vorderingen zijn er dan ook niet te melden geweest, op veel punten staan de partijen nog steeds lijnrecht tegenover elkaar. Met de ontvoering van generaal Alzate afgelopen zondag lijken de onderhandelingen tot een (voorlopig) einde te zijn gekomen.

De in 2010 aan de macht gekomen president Santos heeft het volk beloofd om tijdens zijn presidentschap een einde te maken aan het gewelddadige binnenlandse conflict dat al vijftig jaar voortsleept, maar obstakels rondom thema’s als ontwapening en amnestie gooien tot dusver roet in het eten.

De Colombiaanse overheid wil dat de FARC onvoorwaardelijk zijn wapens inlevert, iets waar de FARC weinig heil in ziet. Een ontwapeningsprocedure zou in de publieke opinie veel weg hebben van een nederlaag en de leden van de rebellenbeweging bovendien kwetsbaar maken voor moordaanslagen van overheidszijde. In de jaren ’80 zijn duizenden FARC-leden vermoord door paramilitaire groeperingen nadat zij de wapens neerlegden als deel van een – mislukt- vredesakkoord. Naast het wantrouwen jegens de oprechte bedoelingen van de overheid vrezen veel rebellen achter de tralies te belanden voor begane oorlogsmisdaden zodra ze de strijd opgeven en terugkeren in de maatschappij.

Gedurende de jarenlange strijd zijn er door beide partijen vele gruwelijke misdrijven begaan, van ontvoeringen, bomaanslagen tot de executie van onschuldige burgers. Er bestaat tot op heden geen consensus over de manier waarop oorlogsmisdadigers zullen worden berecht voor hun misdaden. Hoewel er stemmen opgaan voor een vorm van ‘transitionele gerechtigheid’ die bijvoorbeeld zou kunnen bestaan uit het opleggen van lichtere straffen of uit het berechten van de FARC als organisatie waarbij de individuele leden ontzien worden, is vrijwel iedereen van overheidszijde het erover eens dat de FARC-leden op zijn minst enige tijd achter de tralies moeten belanden.

Onder dergelijke voorwaarden is een vredesakkoord voor veel FARC-leden geen werkbare optie, terwijl de Colombiaanse overheid onmogelijk algehele amnestie kan verlenen zonder zich de woede van de legertop en grote delen van de bevolking op de hals te halen. Neem daarbij in acht dat de partijen tijdens de vredesbesprekingen van de afgelopen twee jaar geen moment gestopt zijn met elkaar militair te bevechten – de Colombiaanse overheid is bang dat de FARC zich tijdens een wapenstilstand militair zal versterken – en het is weinig verbazend dat ook deze poging om tot een bestand te komen op niets uit lijkt te lopen.