Chocoladepinda’s overkoppen met Robin van Persie

Gisteren zeilde er weer eens een foto over het internet. Dit keer geen kunstmatig opgepompte, met olie ingesmeerde celebrityreet waaronder je voldoende openhaardhout voor drie strenge winters droog zou kunnen bewaren, maar Robin van Persie die een dagje meehelpt met zijn zwager in de nieuwe Markthal van Rotterdam, daar waar – naar het schijnt, want ik ben er nog nooit geweest – de ondraaglijke hipheid van het bestaan naar een volkomen nieuw niveau wordt gebracht.

Het was een weinig schokkende foto, van Robin op de Markt: een familiekiekje voor vijftien kilo gebrande macadamia’s. Wel een beetje een vreemde foto, want welke familie gaat er nu met een zwager op de foto alsof hij de spits van het Nederlands Elftal is? Dat doet echt alleen de familie van de spits van het Nederlands Elftal, denk ik.

Drie kilo ongezwavelde abrikozen
God, wat was ik jaloers, toen die foto gistermiddag opeens mijn leven binnengleed; ik stelde me voor hoe ik – wanneer trendy Rotterdammer – gisteren nietsvermoedend door de Markthal zou sjokken, niet wetend hoe mijn modieusheid zo voordelig mogelijk uit te buiten en zonder onmiddellijk nattigheid te voelen een pak biologische havervlokken op de toonbank zou slingeren en dat dan Van Persie, met dat Marrokaans-Nederlandse pleintjesaccent van ‘m zou vragen: ‘Andersss nog ietssss?’

En dat ik dan zou opkijken en in de ogen van de Oranjecaptain zou staren en dat ik van pure opwinding drie kilo ongezwavelde abrikozen zou bestellen en dat ik daar nog een maand diarree aan zou overhouden en dat hij me bij wijze van traktatie een chocoladepinda zou toewerpen en dat ik dan – in de vorm van mijn leven – die pinda niet zou vangen, maar op mijn borst zou controleren en dan, slalommend tussen de boodschappentassen en de met sojamelk bevochtigde Movember-kneveltjes aan een jongleersessie zou beginnen die de Markthal met stomheid zou slaan en dat Robin – ik zou dan natuurlijk onmiddellijk op het amicale Robin, of Robbie, overgaan – achter z’n toonbank vandaan zou komen, z’n schort zou losknopen en op een paar meter afstand van me zou gaan staan, waarna ik hem de chocoladepinda zou toekoppen en we een paar minuten virtuoos zouden gaan staan hooghouden, tot de noot in tweeën zou breken. En dan zou hij zich voorstellen: ‘Robin van Persie.’
En ik zou mijn naam zeggen, en we zouden elkaar omhelzen als oude vrienden die elkaar door een administratieve vergissing van het lot nooit eerder hebben ontmoet en als twee gelijken zouden we daarna allebei een ongezwavelde abrikoos opeten.
Als ik de Markthal zou verlaten, zou de verbijsterde stilte verzwolgen worden door een ovationeel applaus.
Alleen omdat ik niet in Rotterdam woon, ging dat dus gisteren allemaal aan mijn neus voorbij.
Je zou van minder onredelijk worden.

Fers Fournituren
Waarom had mijn vaste notenkraam eigenlijk geen internationale topvoetballer achter de toonbank? Waarom moest ik mijn walnootjes en gojibessen nog altijd aanschaffen bij een naar gemengde notenmix ruikende vrouw van middelbare leeftijd?
Geen enkele van mijn vaste marktkramen wordt bemand, al dan niet tijdelijk, door een international. Geen avocado’s en radijsjes bij Ricardo van Rhijn, geen camembert van Daley Blind of Fers fournituren. Wij in Utrecht hebben nog geen Jan Kromkamp of Dries Boussatta die je oude ansichtkaarten of Zippo-aanstekers aansmeren.
Waarom? Wat heeft Rotterdam dat wij niet hebben? John van Loen met meurende boeken, Jeffrey Talan met vogelvoer of Ferdi Vierklau met babykleding en dan even twee keer overkoppen met een balletje aluminiumfolie, tussen de loempiakraam en et restvuilnis van de haringman; is dat werkelijk te veel gevraagd?