Starten van eigen partij door Kuzu en Özturk is ‘koekje van eigen deeg’ voor PvdA

Tunahan Kuzu en Selçuk Öztürk, de twee PvdA-Kamerleden die zich niet meer konden verenigen met het integratiebeleid, hebben hun zetel niet teruggegeven aan de partij maar gaan inmiddels verder onder de naam Groep Kuzu/Öztürk.

De twee zouden naar verluidt al langer de mogelijkheden van het starten van een eigen moslimpartij onderzoeken, maar daar hadden ze de Kamerzetels van de Partij van de Arbeid natuurlijk niet voor hoeven gebruiken. Maar in hoeverre behoren de zetels van de twee toe aan de PvdA? In principe kan ieder Kamerlid zich afsplitsen van de partij waarvoor hij of zij in de Kamer zit en een eigen partij oprichten, maar dit is (gelukkig) niet gebruikelijk.

Wanneer iemand rechtstreeks is gekozen, ligt dat iets ander. Sinds de wijziging van de Kieswet in 1989 geeft kort gezegd het behalen van een kwart van de kiesdeler (in 2012 was dat 15.000 stemmen) recht op een zetel. Kuzu kreeg voldoende voorkeursstemmen en werd rechtstreeks gekozen, Öztürk wist met bijna 10.000 voorkeursstemmen een prominent als Dijsselbloem voor te blijven.

Dat zij het ‘recht’ opeisen om hun zetel te behouden, is zeker vanuit het oogpunt van Kuzu te begrijpen. Bovendien heeft de PvdA er – net als andere partijen – nooit een geheim van gemaakt dat er bij de selectie van Kamerleden naar allerlei aspecten wordt gekeken om een zo divers mogelijk kiezerspubliek aan te trekken. Kuzu en Öztürk hadden hun positie mede te danken aan hun verbondenheid met delen van de Turkse gemeenschap.

De politicologen Rudy Andeweg en Joop van Holsteyn schrijven vandaag in NRC Handelsblad dat de PvdA om die reden ‘een koekje van eigen deeg’ krijgt van de twee dissidenten, juist op een onderwerp dat gevoelig ligt bij hun (deel)achterban. Maar de professoren wijzen er bovendien op dat Kuzu en Öztürk zich niet rijk moeten rekenen. “Het geloof in een eigen mandaat in een context van (vermeende) personalisatie (–)] is begrijpelijk, maar feitelijk niet overtuigend. Het gaat bij voorkeursstemmen veelal om personalisatie van de tweede orde: kiezers hebben een voorkeur voor een partij en kiezen daarna pas voor een persoon die namens deze partij gekandideerd is.”

Met andere woorden: mensen kozen in dit geval sowieso voor de PvdA, en gingen daarna pas kijken naar welke persoon hen het meeste aansprak. Als voorbeeld noemen de politicologen Rita Verdonk, die in 2006 met ruim 620.000 voorkeursstemmen werd gekozen (negen Kamerzetels en meer stemmen dan haar opponent binnen de VVD, Mark Rutte), maar haar fictieve zetelaantal uiteindelijk als sneeuw voor de zon zag verdwijnen.

Nu had dat ook andere oorzaken – zoals ruzie binnen de partij en een falende campagne – maar dat voorkeursstemmen nadelig uitpakken voor de fractiediscipline is evident. Hoewel ze electoraal betrekkelijk weinig relevantie hebben (mensen kiezen zoals gezegd in eerste instantie voor een partij) kan het naderhand wel voor grote problemen zorgen wanneer Kamerleden op basis van diezelfde voorkeursstemmen eisen gaan stellen. Gezien het toenemende aantal voorkeursstemmen dat wordt uitgebracht, doen politieke partijen er dus goed aan om bij de samenstelling van de lijst ook dergelijke overwegingen mee te nemen, om ‘koekjes van eigen deeg’ te voorkomen.