Op 409 tweelingparen (dus 818 mannen in totaal) is een genetische analyse uitgevoerd. Eerdere vergelijkbare studies waren aanzienlijk kleiner, vergeleken met het laatste onderzoek zijn deze keer drie keer zoveel proefpersonen gebruikt. Vijf jaar lang heeft Alan Sanders van NorthShore Research Institute in Evanston, Illinois, bloed- en speekselmonsters afgenomen bij 409 homoseksuele, twee-eiige tweelingparen uit 384 verschillende families. De monsters werden doorzocht op locaties van de genetische markeringen ‘enkel-nucleotide polymorfie’ (SNPs) - verschillen van een letter in een genetische code. Daarna werd gemeten in hoeverre elk van de gevonden SNPs werden gedeeld door de mannen in de studie.
Belangrijk in het onderzoek is dat de enige overeenkomst tussen de 818 mannen hun geaardheid was. Verder zijn ze stuk voor stuk uniek: geen identieke tweelingen, en alle uiterlijke kenmerken varieerden per tweelingpaar en ook weer tussen alle paren. Daarom kan worden geconcludeerd dat alle SNPs die consistent op dezelfde genetische locaties in de grote groep proefpersonen worden gevonden, hoogstwaarschijnlijk worden geassocieerd met seksuele oriëntatie.
Vijf SNPs sprongen eruit, waarvan twee het meest werden gedeeld. Dit betekent volgens de onderzoekers niet dat er nu twee ‘homogenen’ zijn gevonden. Beide regio’s bevatten veel genen, de volgende stap is uitzoeken welke van deze genen misschien bijdraagt aan seksuele orientatie.
Ongeacht de resultaten, benadrukt Sanders dat homoseksualiteit wordt bepaald door heel veel verschillende factoren: zowel genetische als ecologische. Andere onderzoekers zijn een stuk enthousiaster over de bevindingen van Sanders, vooral omdat de resultaten van kleinere studies tegenspreekt. ‘Deze studie slaat opnieuw een nagel in de doodskist van de theorie dat homoseksualiteit een gekozen levenstijl is’, zegt Simon LeVay, neurowetenschapper en schrijver die in 1991 claimde een specifieke hersenregio te hebben gevonden die kleiner zou zijn bij homoseksuele mannen.
Volgens Levay moet er nog veel hard werk worden verzet om de specifieke betrokken genen te identificeren en uit te zoeken hoe ze werken. Ook moet een gelijksoortig onderzoek bij vrouwen worden uitgevoerd. ‘Ja, we hebben een keuze in ons leven, om onszelf te zijn of om te conformeren naar iemand anders idee van normaliteit. Maar hetero, biseksueel of homo zijn is een centraal onderdeel van wie we zijn, deels te danken aan het DNA waarmee we zijn geboren.’






