De dag dat Stalin bij ons kwam eten (over Italiaanse gastvrijheid)

Mijn kinderen zijn voor een vierde deel van Italiaanse afkomst. Dat is niet bijster veel, toch hebben zij in Italië meer familie dan hier. Het wemelt ter hoogte van Napels van de enthousiaste neefjes, nichtjes, tantes en ooms die de hele dag met elkaar eten en praten. Als ze niet met elkaar eten en praten, omdat ze slapen bijvoorbeeld, wachten ze ongeduldig tot ze opnieuw met elkaar kunnen eten en praten.

Afgelopen zomer bezocht mijn dochter, Sterre, met haar vriendinnen de familia. Sterre is een naam waar ze in Italië moeite mee hebben, dus werd deze voor het gemak omgedoopt in een hilarische variant. Vraag me niet waarom, maar iemand heeft daar op een bepaald moment bedacht dat mijn dochter Stalin moest heten. Een duidelijke en goed uitspreekbare naam waar niemand zijn tong over kon breken, moeten ze daar hebben gedacht. Gemak dient tenslotte de mens. Ook in Italië.

Kampement
In Italië is familie belangrijk. Heilig bijna. Toen mijn dochter en haar vriendinnen de familie bezochten bijvoorbeeld, kregen zij een hele verdieping voor zichzelf toegewezen. Enthousiast werd ik ’s avonds opgebeld. Wat een huis! Al die slaapkamers, badkamers met alles erop en eraan, allemaal voor hen! Wat een luxe! Na een paar nachten kwamen zij er achter dat de familie zelf op krakkemikkige veldbedjes in de woonkamer en op de bank lag. Ook de oude oma, de oudtante en de slecht ter been zijnde oom. En dat het hele kampement snel werd weggemoffeld voordat de meiden ’s morgens opstonden.

Buikpijn
Bij ons in Nederland zou zoiets ondenkbaar zijn. Hier worden gasten in een rommelkamertje tussen de strijkplanken, wasgoed en roeimachines gelegd en mag je blij zijn als je ’s ochtends een boterham krijgt. In Italië daarentegen word je ’s morgens aan rijk gedekte tafels verwacht die vol staan met zelfgemaakte worsten, pastaschotels, mierzoete toetjes, enzovoorts. Als je na drie keer opscheppen denkt klaar te zijn, heb je pech. Dan begint het namelijk pas. Zo glijdt de ochtend al etend langzaam over in de middag, de avond, tot je ergens halverwege de nacht snikkend om genade smeekt, waarna je, als je geluk hebt, naar bed mag om de dag te verteren. Twee maal belde mijn dochter ziek vanuit een Italiaans bed, in elkaar gedoken van de buikpijn, van dat vele, vele eten. Geen grammetje kon er meer bij, de pastaslierten dropen bij wijze van spreke uit haar oren.

Stalin éééten!
Eenmaal thuis heeft zij dagen niet hoeven eten. Het kind zat minstens een week vol. Als wij ’s avonds aan tafel gingen, trok zij zich terug op haar kamer. Televisiereclame over eten werd burpend weg gezapt en de supermarkt werd dagenlang gemeden. Na een week waren de massieve pastabergen enigszins geslonken en zou zij weer mee-eten. Daar verheugde ik mij nogal op. Al was het maar om een paar seconden voor aanvang heel hard ‘Stalin éééten’ door het huis te kunnen roepen.

Die middag deed ik boodschappen voor het avondeten. In de rij voor de kassa werd ik gebeld, of ik die avond wat te doen had, en misschien zin had om ergens wat te gaan eten? Mijn mobiel maakte rare geluiden, en automatisch verhief ik mijn stem. ‘Nee, ik kan niet,’ hoorde ik mezelf opgewekt en hard door de supermarkt gillen. ‘Ik ga thuis koken. Stálin komt eten.’