Op weg naar het werelduurrecord. Aflevering: Maarten van Rossem

Het werelduurrecord is terug van weggeweest. Thomas Dekker gaat een poging doen, Bradley Wiggins heeft al een poging op het programma staan en ook Tony Martin en Fabian Cancellara hebben al toegegeven wel brood te zien in een uurtje afzien in ruil voor een plekje in de geschiedenis.

Ook BN’ers hebben het uurrecord inmiddels in het vizier: bekende televisiegezichten oliën de benen in en gaan de uitdaging aan. In het nieuwe BNN-programma Op weg naar het Werelduurrecord worden vijf BN’ers gevolgd in hun aanloop naar de rit naar grootse glorie. Vandaag: Amerika-kenner en erkend sporthater Maarten van Rossem.
‘Ik begrijp dat dat nogal zonderling overkomt, maar als ze me vanuit Hilversum bellen, dan kom ik.’

Maarten, we zijn hier op de wielerbaan van Sloten. Vandaag begint je training op weg naar het Werelduurrecord. Waar zie je het meeste tegenop?
‘Ik moet zeggen dat ik nogal opzie tegen het proces als geheel, en dat heeft in wezen natuurlijk alles te maken met de Middeleeuwse opvattingen dat pijn fijn is en lijden goed voor lichaam en geest, een stompzinnig uitgangspunt dat de afgelopen eeuwen door talloze professoren en psychologen is weerlegd maar dat desalniettemin nog altijd een van de pijlers van de wielersport schijnt te zijn, wat maar weer bewijst dat we hier te maken hebben met een volstrekt uit de hand gelopen hobby van een groepje zeer mallotige halvegaren, dat overigens nog altijd meer zendtijd krijgt dan welk politiek probleem van enige omvang dan ook. Beter kan ik de staat van geestelijke ontbinding waarin de leidinggevenden van de Nederlandse Publieke Omroep verkeren trouwens ook niet samenvatten.’

We gaan zo meteen eerst je conditie testen op een ergometer.
‘Cogito ergo meter.’

Sorry, wat zeg je?
‘Ik dacht ineens dat het programma misschien baat zou kunnen hebben bij een beetje Latijn, maar het was me al meteen duidelijk dat ik dat faliekant verkeerd had ingeschat, want de gemiddelde televisiekijker is natuurlijk als de dood voor welke intellectuele inspanning dan ook.’

En als dat achter de rug is, word je gemasseerd door een van de bekendste wielermasseurs van Nederland. Hoe vind je dat?
‘Daar beschrijft u toch wonderlijk secuur een van mijn allergrootste nachtmerries. Er zijn weinig zaken die ik bedreigender vind dan een vreemde man of vrouw die – gevraagd of ongevraagd, dat doet eigenlijk niet ter zake – aan mijn lijf gaat zitten plukken. Als iemand mij plotseling omhelst, of dat althans dreigt te gaan doen, dan houd ik mijn armen als een soort verdedigingsschild voor mij uit, want het idee dat die persoon zich met zijn lichaam tegen het mijne zou kunnen aandrukken, komt mij tamelijk gruwelijk voor.’

Maar, wat verwacht je van je conditie? Denk je dat je kans maakt om dat werelduurrecord, dat nu net boven de 51 kilometer ligt, te gaan verbeteren?
‘Op een idiote fiets zonder motorische aandrijving lijkt me die kans uiterst gering, maar het is natuurlijk in de eerste plaats al volslagen stupide om te veronderstellen dat het ook maar iets uitmaakt of ik die genoemde afstand al dan niet ga halen. Als ik het haal, heeft niemand daar iets aan, en als ik het niet haal, doe ik daar niemand kwaad mee. Ik heb ook nooit begrepen waarom het winnen van een mij totaal onbekende fietswedstrijd door een of andere hansworst reden tot welke vorm van feestelijkheid dan ook zou zijn. Behalve dat de fiets op zichzelf al volstrekt oninteressant is als hij niet tot doel heeft om je van A naar B te vervoeren, lijkt het me ronduit zwakzinnig om blij te worden als iemand die je niet kent iets presteert waarvan je op geen enkele manier begrijpt waar het toe dient. Ja, u kijkt nu heel beteuterd, maar het is een misverstand om te denken dat mij dat ook maar iets kan schelen.’

Uw vrouw heeft gezegd: Maarten is een winnaar, hij gaat het halen.
‘Ik heb haar dat ook horen zeggen, want ik stond naast haar toen zij met u aan de telefoon was en ik moet zeggen dat ik het een vrij geslaagde parodie vond op het zwakzinnige gelul waarmee veel sportverslaggevers altijd weer de mentale kracht van hun helden oppijpen, alsof het hard rondjes fietsen in een soort met hout beklede reuzebadkuip geen werk is voor dommekrachten en halvegaren, maar daarentegen een uitermate intellectuele bezigheid is. Dat is op zichzelf natuurlijk erg geestig, maar het wordt gevaarlijk als een grote groep minder begaafden ook daadwerkelijk gaat geloven dat fietsen de vrucht is van een overschot aan denkkracht. Vandaar ook dat ik toch afstand moet nemen van de op zichzelf goed getroffen satire van mijn echtgenote en u moet teleurstellen door mee te delen dat het me hoegenaamd niets interesseert hoeveel kilometer ik uiteindelijk zal afleggen. Als ik dan toch onverhoopt een record zou mogen behalen, zal ik mezelf belonen met een extra pepermuntje.’

Dankjewel Maarten van Rosboy, en veel succes op de ergo to the fucking meter!