Dertig verdwenen woorden die we weer zouden moeten gebruiken

Clownspiet, kalifaatganger of stemfie? Over twee weken weten we welk woord door de bezoekers van de website van woordenboekenuitgever Van Dale is verkozen tot Woord van het Jaar 2014.

Maar met het verschijnen van nieuwe woorden verdwijnen er oude woorden. Simpelweg omdat de betekenis van het woord niet meer bestaat, maar ook omdat woorden uit de mode raken. En juist daarom, in een tijd van moestuinsocialisme en dagobertducktaks, moeten we gaan hergebruiken. Geen nieuwe woorden produceren, maar in onbruik geraakte woorden recupereren.

Wij selecteerden daarom dertig onmodieuze woorden die nog maar nauwelijks worden gebruikt, maar die nog wel degelijk een functie hebben in het dagelijks leven. Iets wat we van veel Woord van het Jaar-woorden niet kunnen zeggen, trouwens.

De selectie is afkomstig uit het Verdwijnwoordenboek van Ton den Boon, dat hier te koop is.

Achterkousigheid: onoprechtheid.
Een roos om het goed te maken? Laat me niet lachen. Van die achterkousigheid houd ik niet.
Avondkout: informeel, ontspannend gesprek in de avond.
Hij nodigde me uit om de zaak in een avondkout te bespreken.
Bedsermoen: Terechtwijzing van een vrouw aan haar man, terwijl ze samen in bed liggen. Ook wel: ‘gordijnpreek.’
Nadat ik de belofte aan mijn vrouw niet was nagekomen, voorzag ik een bedsermoen.
Besjoechelen: belazeren.
De televisie die ik kocht blijkt kapot. Ik voel me besjoecheld.
Dame du ton: een chique, modieuze vrouw.
Neelie Kroes is een dame du ton.
Echtkoets: het huwelijksbed.
Na een lange dag stapten we samen in de echtkoets.
Geitenfuif: een feest van meisjesstudenten.
Met haar medebewoonsters organiseerde Stella een geitenfuif. Jongens waren niet welkom.
Geldgier: een hebzuchtig mens.
Hij geeft alweer geen rondje. Wat een geldgier.
Gladbek: vlasbaard, jongeman die nog geen baard heeft.
Die zeventienjarige gladbek van hiernaast heeft m’n autospiegel gemold.
Hemelvlam: dichterlijke benaming voor de zon.
Nu de klok is verzet, gaat de hemelvlam steeds vroeger op de dag uit.
Huisduif: iemand die altijd thuiszit.
Sinds Jasper geen werk meer heeft, is hij een echte huisduif geworden.
IJlebenen: haastig lopen.
Omdat ik al laat was, ijlebeende ik naar mijn werk.
Jegenswoordig: tegenwoordig.
Ik werk jegenswoordig weer bij de krant.
Kantoorheer: iemand die op kantoor werkt.
De trein zat vanochtend weer vol met kantoorheertjes.
Kinderbewaarplaats: kleuterschool.
Voordat ik naar het werk ga, breng ik mijn dochter naar de kinderbewaarplaats.
Kromtong: iemand die gebrekkig praat.
Die kromtong kan ik niet verstaan.
Labberlottig: lamlendig.
Mijn zoon is al even labberlottig als zijn vrienden.
Lettervrucht: iets wat geschreven is.
Tweets zijn allemaal kleine lettervruchtjes.
Mahomedaan: moslim. Afgeleid van Mahomed, tot in de twintigste eeuw een variant van Mohammed. Ook wel: muzelman.
In de moskee komen de mahomedanen bijeen.
Natgierig: verlangen naar een alcoholische drank.
Als ik thuiskom van mijn werk word ik natgierig.
Pantoffelregiment: gezin waar de vrouw de baas is.
Zij heeft hem onder haar pantoffel; daar heerst een pantoffelregiment.
Pekelveld: dichterlijke benaming voor de zee.
Mijn hotelraam kijkt uit over het pekelveld.
Poëtesse: dichteres.
Anne Vegter is een ware poëtesse.
Saffiaantje, of: saffie: sigaret.
In het café is het sinds kort verboden een saffiaantje op te steken.
Schendekeuken: iemand die ondanks goed eten en drinken toch mager en bleek blijft.
Haar man is nogal zwaarlijvig; zijzelf is maar een schendekeuken.
Suzannaboef: wellustige oude man.
Mijn opa, die oude suzannaboef, hield er verschillende vriendinnen op na.
Treurgeestig: weemoedig, melancholiek.
Wanneer hij moest lachen, was het zo treurgeestig, dat men dacht dat hij moest huilen.
Vuilbaard: geile man.
Die vuilbaard kijkt elke dag ontuchtige filmpjes op het internet.
Wervelziek: licht in het hoofd, duizelig.
Het beklimmen van de Eiffeltoren zou mij wervelziek maken.
Zuurmuil: onvriendelijk, nors mens. Iemand die zuur kijkt.
Wat een zuurmuil is jouw baas, zeg.