Mango’s met Dinand voor het goede doel

Voor de supermarkt werd ik staande gehouden door een meisje, dat vroeg of ze me iets mocht vragen. Hoewel ik me vrij beroerd voelde – dat had met de avond tevoren te maken – ben ik de beroerdste niet en aldus stemde ik toe.

Het meisje begon aan een lange verhandeling over zieke kindertjes in landen ver van hier. Landen waarvan ik het bestaan heus ken, maar niet direct landen waar ik dagelijks aan denk. Er zaten zelfs landen tussen waar ik maanden niet aan gedacht had. Door spijt overmand kreeg ik het vervolg van haar verhaal maar half mee, temeer daar het meisje erg beweeglijk was – zoveel impulsen kon ik met mijn katerhoofd niet verwerken. In de verte hoorde ik haar vragen: “Wat denkt u dat zoiets kost, per injectie?”

Eindelijk stond ze stil. Ik zag een korstje zitten in de hoek van haar mond, vermoedelijk een restant van een koortslip die een dag of vier daarvoor op zijn hoogtepunt moest zijn geweest. Het korstje had vrijwel dezelfde kleur als haar huid, die aan koetjesrepen deed denken. Juist omdat het niet erg opviel, kon ik niet stoppen ernaar te kijken. Om die reden dragen ze in de horeca altijd blauwe pleisters, dan is het tenminste duidelijk.

“Een euro vijftig,” gokte ik.
Het goede antwoord was twintig cent. Het meisje begon uit de doeken te doen hoe haar organisatie alle kindertjes zou gaan genezen, hoe de zon ook voor hen zou kunnen schijnen, alleen…
Ze liet een stilte vallen.
“Alleen wat?” speelde ik het spelletje mee.
“Alleen het kost geld.”
“Ik ben al lid van Novib,” loog ik.
“Ik ben niet van Novib. Ik ben van Unicef.”
“Nou en.”
Ik vluchtte de winkel in. Toen ik achteromkeek danste het meisje alweer om haar volgende slachtoffer heen.

Mijn Schuldgevoel
In de supermarkt waren de mango’s in de aanbieding. Een euro per stuk. Ik legde er een in mijn mandje en toen nog een en toen werd ik op mijn schouder getikt. Het was Mijn Schuldgevoel.
“Twee euro. Dat zijn dus tien dode kindertjes,” zei ze (‘ze’ inderdaad, Mijn Schuldgevoel is een vrouw. Ik wist dat ook niet, maar het verbaasde me niks).
Beschaamd legde ik de mango’s terug in hun kuiltjes.
Door de speakers klonk Sunday Bloody Sunday.

In de rij bij de kassa – ik had alleen het broodnodige gekocht, net genoeg om niet dood te gaan – stond ik achter een man in een leren jas, die uit volle borst meezong met de supermarktradio. Zijn linkerhand vormde het vredesteken, in zijn rechter bungelde een mandje dat tot de rand gevuld was met mango’s.

“Dat zijn flink wat dode kindertjes,” zei ik, want ik geen mango’s, dan niemand mango’s.
De man draaide zich om. Hij droeg een zonnebril waardoorheen zijn ogen zichtbaar waren en een zilveren oorbel en hij was niet te zuinig geweest met de haargel. Ik meende hem ergens van te kennen. Van De Slimste Mens of zo.

Who the fuck
“Weet jij wel who the fuck ik ben,” vroeg hij met een opvallend Iers accent.
“Ik stond er net over te denken.”
“Wait, ik help je.” Hij spreidde zijn armen en zong ‘Walk on by / Walk on through / Walk ‘til you run / And don’t look back’.
Ineens wist ik het.
“Dinand!” riep ik enthousiast.
“So jij bent the funny guy, huh? Hier, take een mango.”
Ik schudde mijn hoofd en wees naar de vrouw achter me. “Mijn Schuldgevoel, ziet u?”

“Dan make you thuis toch gewoon een tientje over?” zei hij.
‘Is dat hoe het moet gaan, Dinand? Je schuldgevoel afkopen zodat je je helemaal ziek kunt eten aan mango’s?’
Dinand dacht even na en zei toen: “Ik weet het. Ik sing een song, jij schrijft daar een kritiekloze column over en je stort je salary op de rekening van Unicef! En stop calling me Dinand.”
“Net als al die BN’ers in die Jumboreclame zeker? Goede sier maken over de ruggen van stervende kindertjes? En straks krijgen we dat vreselijke Glazen Huis weer. Ik ben nog nauwelijks bekomen van Band Aid.”
“That was a magnificent song. En verder: screw you. Hoeveel problemen je ook met dat Glazen Huis hebt, ze zullen nooit zo erg zijn als die van de ebola-slachtoffers.”

Daar had hij natuurlijk een punt, maar ik was te koppig om dat toe te geven. Zwijgend rekenden we onze boodschappen af. Toen ik weg wilde lopen, hield hij me tegen.
“Here, take mijn mango’s. Jij hebt ze harder nodig dan ik.”
“Nee, dank je.”
“Please.”
“Echt niet.”
“Take my mango’s bloody mango’s!” schreeuwde hij. De muren van het winkelcentrum versterkten zijn stem als de geluidsinstallatie in de Ziggo Dome. Ik draaide me om en rende weg, zo hard als ik kon.
“Fuck you, Dinand,” riep ik hem toe.
“You too.”

Briefje
Hijgend opende ik de voordeur en plofte neer op de bank. Mijn oog viel op de boekenkast. Tussen Bomans’ Erik Of Het Klein Insectenboek en De Paradijsvogel van Lous Paul Boon stond de mand met mango’s. Wat is dat toch met artiesten die ongevraagd je bibliotheek volplempen met hun rotzooi? Ik stond op om de mand in de prullenbak te gooien (wat niet lukte) en zag toen dat er een briefje in zat, waarop een vraag stond.
Do you know it’s Christmas time at all?

De opbrengst van deze column wordt misschien overgemaakt op Giro 555.

Meer leuke content? Like ons op Facebook