Paulien Cornelisse over het Sportjaar 2014

Net als in de absolute slotfase van 2013 sta ik ook dit jaar mijn plaatsje als sportcolumnist af aan beroemde en gewaardeerde columnistcollega’s. Aan hen de vraag: wat herinner je je van het Sportjaar 2014?
Vandaag: Paulien Cornelisse.
Ik koester een diepe bewondering voor sporters die onmiddellijk na een wedstrijd iets moeten zeggen in een microfoon, en dat nog doen ook.
Het zijn in de meeste gevallen misschien geen speeches waar de VPRO over dertig jaar een documentaireserie aan wijdt, maar dat hoeft ook niet. Het is meestal redelijk samenhangend en verstaanbaar bovendien, en dat is toch al heel wat.
Sommige sporters communiceren zelfs tijdens hun werk: wielrenners voeren hele gesprekken met elkaar terwijl ze met dertig kilometer per uur een berg beklimmen, vaak schijnen dat nog inhoudelijke conversaties over wie wie nog geld schuldig is en welk geheim nummer je voor welke dokter moet bellen.

HIEEEEEEGGGGGHHHHH
Zelf sport ik ook wel eens, en als ik dan tijdens het afsluitende rekken en strekken wordt gebeld door een Heel Belangrijk Iemand Die Ik Absoluut Moet Opnemen, klinkt dat ongeveer zo: ‘Paulien! Goed dat ik je tref: het gaat om onze afspraak van morgen.’
‘Hiiiieeeeegggggghhhh.’
‘Ik vroeg me af of jij ook een uurtje later zou kunnen.’
‘Hmmmmmmmmmmmmmm.’
‘Omdat ik met de oppas zit die tentamenweek heeft.’
‘Sssssjjjjjjhhhhhh.’
‘Hartstikke fijn, zie ik je dan. Daaaaag!’
‘Aaaaaaaaahhhhh.’
Dus: niets dan lof voor al die sporters voor wie het begrijpelijk verbaliseren van hun gevoelens op geen enkele manier in hun taakomschrijving staat, maar die er toch iedere keer weer in slagen iets te zeggen wat in het beste geval nog hout snijdt ook.

Jaaaaaaaaaaa
Journalisten die verantwoordelijk zijn voor de vragen na een wedstrijd, vragen altijd naar het gevoel. Dat gevoel is er niet echt, want gevoel heeft tijd nodig om in te dalen – al zal dat bij topsporters ook wel weer sneller gaan dan bij mij, dat indalen. Toch hebben ze wel degelijk hun tactieken. Als de vraagsteller bijvoorbeeld vraagt ‘Wat gaat er nu door je heen?’ (een klassieke sportvraag) of ‘Had je die penalty in de laatste minuut er niet gewoon in moeten schieten?’ (klassieke voetbalvraag), dan begint de sporter in kwestie altijd als volgt: ‘Jaaaaaaaaaaa…’
Dat ‘Jaaaaaaa’ is geen bevestiging, en iedereen begrijpt dat. ‘Jaaaaaa’ is een aanloopje, de paar meter die de polsstokhoogspringer met zijn polsstok op zijn schouder nodig heeft om een beetje op gang te komen. ‘Jaaaaa’ klinkt een stuk sympathieker dan ‘Neeeeee’ en een stuk minder dommig ‘Hmmmmmm’.
Zwijgend nadenken op televisie en radio is sowieso al uitgesloten, dus dan maar ‘Jaaaaaaa’. Na ‘Jaaaaaaa’ kan bovendien alles komen:
‘Jaaaaa, we zaten lekker in de wedstrijd.’
‘Jaaaaaaa, dan heb je een andere wedstrijd gezien.’
‘Jaaaaaa, nee.’
Een tip aan alle voetbalvrouwen in wording: vertrouw nooit een voetballer die ‘Jaaaaaa’ zegt.
Hij is er nog even over aan het denken.

door: Frank Heinen

Meer leuke content? Like ons op Facebook