Simon Carmiggelt over het Sportjaar 2014

Net als in de absolute slotfase van 2013 sta ik ook dit jaar mijn plaatsje als sportcolumnist af aan beroemde en gewaardeerde columnistcollega’s. Aan hen de vraag: wat herinner je je van het Sportjaar 2014? Vandaag: Simon Carmiggelt.

De man die door de ijverig door vallende regen was komen aanschuifelen, enterde het traag vergelende kroegje met het gestommel dat vaak de vrucht is van een onrustige geest en zeeg een tafeltje verderop op een stoel neer.
Daarna slaakte hij een zucht die al lang had gewacht om eruit te mogen.
‘Wat een weer,’ zei hij. De weldadige stilte in het etablissement viel in een klap aan gruzelementen. Zijn gezicht was slordig beplant met kleine haartjes en in zijn ogen stond de vermoeidheid te lezen van iemand die er al lang geleden genoeg van heeft gehad. Hij droeg een gewatteerde jas die enthousiaste wandelaars op de Lofoten tegen de kou beschermt en ergens in het naamloze grensgebied tussen neus en lippen glom iets wat op oud snot leek.

Het leven is eruit
‘Doe mij maar eens een pilsje,’ zei de zakkige kerel tegen de kastelein, een alcoholisch hulpverlener van de oude stempel die iedere dag plichtsgetrouw zijn steentje bijdraagt aan de bespoediging van de ondergang van zijn vaste klantenkring.
De vochtige man richtte zijn aandacht nu op mij en keek me aan met een verbaasde blik, alsof hij mij daar niet had verwacht, en vroeg op de onderzoekende toon van een kind dat wil weten hoe dat nou zit met Adam en Eva en zo: ‘Bent u niet die columnist?’
Ik knikte zo bezonken mogelijk, want het was zo.
De man zweeg even, staarde in het schuim van zijn bier en overdacht zo te zien een hoop zondigs.
Daarna keerde hij zich weer naar mij.
‘U bent toch al meer dan twintig jaar dood?’ vroeg hij toen, een beetje beschuldigend.
Voor een handvol heerlijke seconden hervatte hij zijn zwijgen.
‘Ach, wat weet ik ervan,’ mompelde hij en schudde zijn hoofd. ‘Van dood, en leven. Niks toch? Ik schrijf alleen maar stukkies.’ Hij liet zijn bestelling walsen door zijn glas. ‘Vroeger wist ik die dingen: wie er dood was, wie er nog leefde. Van die dingen.’
Hij keek even vertederd naar de kast met sterkere middelen, waarachter hij zijn verleden meende te ontwaren. De kastelein, die de indruk gaf het verhaal al van binnen en van buiten te kennen, verdween zonder iets te zeggen uit het zicht en daalde af in het vooronder van de drankopslag.
‘Ik schrijf maar en ik schrijf maar. En weet u waarover? Over sport. Iedere dag! Dat is toch geen leven? Vroeger… ja, vroeger…. Vroeger schudde ik ze zo uit m’n mouw, die stukkies. Maar tegenwoordig…. Ach meneer, het is niks meer, de sport. Ellende en narigheid; het leven is eruit.’
Ik wist niet wat ik moest antwoorden: de wereld van de sport is voor mij terra incognita voor mij, een ontdekkingsreiziger ben ik niet. Daarom zweeg ik maar weer en probeerde iets zwierigs te ontdekken aan mijn gesprekspartner, die voor zijn overdosis werk vast ooit iets zwierigs moest hebben gehad. Helaas, de sport en de drank hadden zijn jeugd voorgoed overwoekerd.

Er even uit
Net toen de stilte onheilspellend dreigde te worden, kwam er een vrouw het café binnen, jong nog en met gulle hand geschapen.
Ze liep op de der dagen zatte sportstukjesbakker af en zei: ‘Kom, we gaan naar de markt. Radijsjes kopen.’ En tegen mij: ‘Bent u niet die columnist? Bent u niet al meer dan twintig jaar dood?’
‘Ze zeggen het,’ antwoordde ik, op een van de vragen.
‘Mijn vriend,’ zei ze en ze wees op de steeds minder vitale man, wiens hoofd intussen als een loden kogel op het gelakte hout van de bar gestuiterd was. ‘Hij zoekt mensen om zijn column over te nemen rond de kerstdagen. Hij moet er even uit, ziet u?’
Ik zag het. Het onvermijdelijke verzoek kwam, en ik zei ja, min of meer per ongeluk.
Toen ze niet veel later de zaak verlieten, omhelsde hij mij.
‘Ach, wat weet ik ervan,’ zei hij zacht en stiefelde achter haar aan, de verplichtingen tegemoet.