Sylvia Witteman over het Sportjaar 2014

Net als in de absolute slotfase van 2013 sta ik ook dit jaar mijn plaatsje als sportcolumnist af aan beroemde en gewaardeerde columnistcollega’s. Aan hen de vraag: wat herinner je je van het Sportjaar 2014? Vandaag: Sylvia Witteman.
Ik zal het maar eerlijk zeggen: dit is een stukje in opdracht. Hoe gaat zoiets: je wordt gevraagd, je wil niet flauw wezen, het honorarium is in orde (dat is het maximum, qua honoraria) en voor je het weet zit je in je mottige badjas een stukje over het Sportjaar 2014 te tikken.
Met al niet meer zo heel frisse tegenzin zette ik me aan een stukje. Dat komt: ik haat sport. Behalve oorlog vind ik weinig dingen zo erg als volwassen mensen – voor kinderen maak ik een uitzondering – die vrijwillig aan lichaamsbeweging doen terwijl ze in diezelfde tijd ook een goed boek kunnen lezen of een frikadel speciaal eten.
Het is lastig schrijven over iets dat zich volstrekt buiten je gezichtsveld afspeelt.
Nou ja, dat is niet helemaal waar.

Voorbereidingen
Mijn zoontje kan zich dagenlang achter een oude Voetbal International verschuilen en als hij zijn moorddadige PlayStation-oorlogsvoeringen beu is, wil hij zelfs ook nog wel eens een digitaal balletje trappen, aangevuurd door Evert ten Napel en Youri Mulder, die voortdurend dezelfde zinnetjes uitspuwen, als overenthousiaste Alzheimerpatiënten.
De voorpret die mijn mannelijke huisgenoten bevangt als er een voetbalwedstrijd van bedenkelijk niveau wordt aangekondigd, grenst aan een goedaardige vorm van waanzin.
De voorbereidingen voor zo’n wedstrijd beginnen al als mijn zoontje – ooit een vertederend engeltje voor wie met z’n hoge stemmetje op z’n kamer de huiselijke ruzies tussen zijn ouders naspelen het meest geliefde tijdverdrijf was, inmiddels een puber van onredelijke afmetingen die zich nog slechts onder de dreiging van uithuiszetting van de bank hijst en in de bloemenvaas pist en pakken chocoladekoekjes wegwerkt alsof het bitterballen zijn op een twee dagen durende kerstborrel voor ondervoede zzp’ers – halverwege de middag met een verrassende ijver aan het herschikken van het meubilair slaat, tot twee banken in een soort omgekeerde V voor ons reusachtige televisiescherm staan. Daarna verdwijnt hij weer, om een uur later terug te keren met twee boodschappentassen vol calorieën in de vorm van kleutergrote flessen cola en chipszakken van een formaat dat ik in mijn kleurrijk leven nooit eerder tegen het lijf gelopen ben, zelfs niet in het obese land waar huisgenoot P. een tijdje achter Obama aanholde.

Dan, een paar uur voor de wedstrijd en ongeveer een halve dag voor zijn normale tijd van thuiskomen, keert Huisgenoot P. terug van zijn behartigenswaardige baan. In zijn rechterhand draagt hij een vettige plastic tas waaruit geuren opstijgen die ik onmiddellijk herken als slordig bereide voormalige beesten, afkomstig uit de muffe toko aan de overkant. Als bij ons thuis iemand eens ouderwets smerig wil eten – dat gebeurt de ene dag vaker dan de andere – gaan we altijd naar de muffe toko aan de overkant. Niet vanwege het eten, dat zonder uitzondering smaakt naar oude batterijen, maar vanwege de schizofrene Chinees die soms Chong en soms Hang heet en die mijn entree immer begeleidt met de gulle lach van meerdere persoonlijkheden die de redding van de dagomzet zien binnenwandelen.
Wat er zich vervolgens tijdens de wedstrijd in mijn huiskamer afspeelt, daarvan heb ik slechts een uiterst vage voorstelling: ik vertrek bijtijds en keer bij voorkeur de volgende dag pas terug. De resten pekingeend plakken nog tegen het plafond, de vloer kleeft alsof hij met honing is ingewreven en het ruikt indringend naar oude sokken, een geur die langzaam maar zeker slijt. Na een paar weken merk je er bijna niets meer van.
Hopelijk gaat het met die onzalige liefde voor voetbal ooit nog eens net zo.

Anti-sport
Laten we hopen dat er ooit nog eens een anti-sportpartij wordt opgericht. Die krijgt voor de rest van mijn leven mijn stem, want sommige stukjes in opdracht hoop je toch vooral nooit meer te hoeven schrijven.