Neerlands motto: Live slow, die old

Het nieuwe jaar luidde ik met vijftien vrienden in op het dak van een acht verdiepingen tellend wooncomplex in Amsterdam-Oost. De weg naar dat dak was niet gemakkelijk. Op de tweede verdieping wrongen we ons in een smalle hal langs oude matrassen, gereedschap en ander tijdelijk overbodig verklaarde huisraad. Via een raam kwamen we in het stalen trappenhuis. Twaalf trappen later stonden we voor het laatste obstakel: een ijzeren deur. Doordat het achterliggende dak een L-vorm heeft, konden we om de deur heen klimmen.

“Een nasty klimmetje,’ oordeelde mijn vriend die het feest organiseerde. Daartegenover stond ‘het mooiste uitzicht over Amsterdam’, beloofde hij. Enigszins nerveus zette ik mijn linkervoet op het balkonhek en greep mijn linkerhand de ijzeren deur. Mijn vriend reikte zijn arm aan. Steunend op zijn schouder waagde ik de kleine sprong. Eén onhandige misstap en er had nog net 2014 in mijn overlijdensadvertentie kunnen staan. Gelukkig stortte niemand van ons, in 2014 noch in 2015, 25 meter naar beneden.

Om 23.57 was iedereen boven. Precies op tijd om de vuurpijlen van de ongeduldigen in de stad waar te nemen. 00.00: zoenen, omhelzen en champagne ontkurken. Tegelijkertijd ontvouwde zich een prachtig schouwspel om ons heen. Van Diemen tot het geduldig glinsterende IJ, van het rustieke Zuid tot het Scheepvaartmuseum en van West tot de Rembrandt- en Breitnertoren. Overal werd de hemel gesierd door uiteenspattende vuurpijlen. Onder de nevel van de kruitdampen werden wangen gekust, schouders geklopt, gelukwensen uitgesproken en voornemens gebroken.

Mijn vriend had geen woord gelogen: de overwonnen angst betaalde zich uit in een adembenemend vergezicht over nachtelijk Amsterdam. Een uitbundig uitzicht dat ik mogelijk niet vaak meer zou krijgen. 2015 is waarschijnlijk een van de laatste jaarwisselingen waarbij er door particulieren vuurwerk afgestoken werd. Langzaam worden de Nederlandse geesten rijp gemaakt voor een verbod op vuurwerkverkoop. De tijden waarbinnen vuurwerk mag worden afgestoken zijn beperkt, er zijn vuurwerkvrije gebieden en de burgemeesters van Hilversum en Alkmaar pleiten al voor een algeheel verbod. Het past allemaal in de mars richting de risicoloze samenleving. Niet roken in kroegen, geen biertjes op je zestiende en geen vloeistoffen mee het vliegtuig in. Allemaal begrijpelijke maatregelen, die kleine individuele offers vragen om (gezondheids)risico’s te reduceren.

Naast de economische schade voor vuurwerkhandelaren zijn er geen rationele argumenten tegen een vuurwerkverbod. Ieder jaar zijn er enkele vuurwerkdoden en tientallen gewonden. In veel gevallen betreft het omstanders. Elk persoonlijk verhaal over afgerukte vingers, een verloren familielid of een vertroebeld carrièreperspectief door oogschade doet het jaarlijkse lolletje van miljoenen verbleken. Met het inleveren van een klein plezier redden we een hoop vingers en zelfs levens.

En toch heb ik niets met dat vuurwerkverbod. Mijn vrees is dat Nederland één grote aangeharkte Vinexwijk wordt. Dat over twintig jaar iedereen naar de georganiseerde vuurwerkshow fietst met een verplichte fietshelm op z’n knar. Dat ‘je maintiendrai’ op onze paspoorten net zo goed vervangen kan worden door ‘live slow, die old’. Mensen hebben recht op onverstandige keuzes en een beetje spanning in het leven. Het euforische gevoel om boven de stad te zijn, terwijl je tegelijkertijd er onderdeel van bent is magisch. Wanneer het verbod dichtbij komt zal ik, typisch Nederlands, niet op de barricaden staan om dit stukje spanning te verdedigen. Klokslag twaalf zal ik dan zonder begeleidend geknal met dezelfde vrienden doorbrengen. Terwijl ik hen omhels, rest naast de beste wensen niets anders dan hun ook een beetje spanning in het leven toe te wensen.