Interview Ludovico Einaudi: ‘Stop mijn muziek niet in een hokje’

Componist en pianist Ludovico Einaudi (59) trapte gisteravond in Utrecht zijn nieuwste concertreeks af. Ditmaal treedt hij niet solo op, maar in samenwerking met het kamerorkest Amsterdam Sinfonietta. Ze spelen werk van Einaudi zelf, en van zijn inspiratiebronnen Arvo Pärt, Béla Bartók en Johann Sebastian Bach. Een interview met een eigentijdse musicus die weigert zijn werk onder te brengen in een hokje.

Ludovico Einaudi – een kleinzoon van de eerste naoorlogse premier van Italië, Luigi Einaudi – genoot een traditionele muzikale opleiding aan het Giuseppe Verdi Conservatorium in Milaan, waarna hij in de leer ging bij avant-gardecomponist Luciano Berio. In 1996 verscheen zijn eerste soloplaat, Le Onde, maar internationale bekendheid kreeg hij pas in 2004, toen zijn vijfde album, Una Mattina, hoge posities bereikte in Europese toplijsten. Zijn atmosferische muziek wordt inmiddels gebruikt in velerlei films, waarvan het succesvolle komische drama Intouchables de bekendste is.

Zijn publiek houdt van hem, maar recensenten zijn veelal kritisch over Einaudi’s werk. Zijn minimalistische muziek – vol volkse, elektronische en klassieke invloeden – wordt afgedaan als gepingel. The Times sprak van magere, herhalende akkoorden die geschikter zijn voor een pilatesklas dan een concertzaal. NRC Handelsblad deed de muziek af als ‘dodelijk saai’. Volgens de Volkskrant is Eunadi de André Rieu van de piano.

Desalniettemin speelde hij voor een afgeladen Royal Albert Hall in Londen, en wist hij ook de Scala in Milaan tot de nok toe te vullen. En ook alle tien shows waarmee hij deze dagen door Nederland trekt waren in no time uitverkocht.

Altijd volle zalen. Dat is niet heel gebruikelijk voor een artiest in uw genre van muziek.
“Dat hangt ervan af hoe je mijn muziek classificeert. Ik denk dat mijn voorstellingen een  veelzijdig publiek aantrekken. Mensen die zelf piano spelen, mensen die van klassieke muziek houden, of van rock – of popmuziek.”

Welk label hangt u zelf aan uw muziek?
“Oeh. Daar heb ik altijd moeite mee gehad.”

Laat ik de vraag anders stellen: waar in een platenwinkel zou u uw albums plaatsen?
“Ik denk niet dat mijn muziek onder te brengen valt in een genre. Ik heb weleens in een platenwinkel gestaan en mezelf diezelfde vraag gesteld, maar dan stel ik indirect de vraag waar ik mij als artiest thuis voel. In de sectie ‘klassiek’ van die zaak was het stil, te stil. Op de achtergrond klonk zachtjes de muziek van Bach, maar los daarvan was er weinig leven. In de sectie waar populaire muziek stond bruiste het van het leven, en dat sprak me meer aan. Het risico is wel dat je muziek in die afdeling al snel verdwijnt in een grote hoeveelheid albums.”

U begon uw carrière als klassiek musicus.
“Ja, en mijn muziek werd destijds ook geaccepteerd door de gevestigde muzikale orde. Ik schreef veel orkestrale muziek en kamermuziek, en veel van die stukken luister ik nog met plezier terug. Het stuk Apple Tree is daar een goed voorbeeld van. Maar daarna ben ik gaan experimenten met verschillende genres. Toen ik in de leer was bij Luciano Berio ontdekte ik de avant-gardemuziek. Ik wilde me niet laten beperken, en wilde dat in mijn composities alle muziek zou weerklinken die ik zelf mooi vond.”

En dat is nogal divers. Bach en Bartók zijn twee bekende voorbeelden voor u, maar u heeft ook weleens geopperd dat uw muziek is geïnspireerd door The Beatles, en recenter Coldplay.
“Dat klopt. Het geluid van The Beatles inspireert componisten overigens al decennia. Ik ontdek constant nieuwe muziek. In 2010 kwam ik nog in aanraking met Tarantella, volksmuziek die veel wordt gespeeld in het zuiden van Italië, waarin de tamboerijn veel wordt gebruikt. De ritmes bleven me achtervolgen, en ik verwerkte ze in twee nummers van mijn laatste album, In a Time Lapse. Er is niets verboden in de kunst. Ik houd er niet van om begrensd te leven, dat gaat ook op voor mijn muziek.”

Enkele critici en oud-collega’s uit de klassieke wereld staan nogal afwijzend tegenover uw muziek. Bent u niet bang voor die professionele afwijzing?
“Nee, ik hecht daar weinig waarde aan. Ik heb jaren geleden besloten welke muziek ik wilde maken, en ik blijf die visie volgen, om de simpele reden dat ik me daar goed bij voel.”

Toch zijn de kritieken meedogenloos.
“Bij veel journalisten die naar mijn concerten komen en vervolgens mijn muziek fileren, heb ik het gevoel dat zij geen volledige muzikale kennis hebben. Er wordt vaak direct een vergelijking gemaakt met componisten die deze aarde al lang niet meer bewandelen, en het wordt gemeten aan genres met specifieke tradities en regels. Eigentijdse muziek is niet te vatten in één hokje. Mijn muziek ook niet. Ik vind het niet erg als iemand een hekel heeft aan mijn muziek, maar ik vind het wel erg als iemand mijn muziek simplificeert.”

ludo2Tijdens deze tournee speelt u overigens grotendeels klassiek. U bent populair bij een jonger publiek. Dat is mooie promotie van dat genre bij de jongere generaties.
“Al denk ik niet dat mensen na afloop van mijn concert een cd opzetten van Brahms of Beethoven.”

Uw optredens zijn sneller uitverkocht dan een gemiddeld popconcert. U wordt dan ook weleens vergeleken met een popster. Terecht?
“Nee, dat vind ik niet. Het is gemakkelijk een muzikant een popsterrenstatus toe te dichten als hij succes heeft en een groot publiek aanspreekt, maar daarmee wordt dezelfde fout gemaakt als bij het labelen van mijn werk. Een schilder kan evengoed een oude schildertechniek gebruiken die verwant is aan Rembrandts manier van schilderen, maar dat betekent niet dat het schilderij van hetzelfde niveau is als Rembrandts werk. En ook niet dat de schilder de nieuwe Rembrandt is.”