Waarom het gaat om welzijnsverdeling, niet om welvaartsverdeling

Het nieuws was, eigenlijk zoals altijd, weinig opbeurend op Blue Monday. Tenminste voor de meerderheid van de mensheid dan. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek bleek dat de vermogensongelijkheid tussen de rijkste 1 procent en de rest van Nederland oploopt. In 2008 bezat de top 1 procent circa eenvijfde van het vermogen. Begin 2013 was dit 26,6 procent. Jan Modaal had vooral vermogen ingeleverd omdat zijn koopwoning minder waard was geworden.

Op internationaal niveau is de inkomensongelijkheid al helemaal bar en boos, zo meldde hulporganisatie Oxfam Novib. De 80 rijkste mensen ter wereld hadden in 2014 net zo veel rijkdom als de armste helft van de wereld. Een jaar eerder waren er nog 92 Dagobert Ducks nodig om tegen de halve wereldbevolking op te bieden. In cijfers: 80 mensen bezitten net zo veel als de 3.500.000.000 armste mensen. Al deze ongelijkheid stemde treurig op de toch al meest deprimerende dag van het jaar.

Hoe erg is al deze ongelijkheid en in hoeverre moeten we deze aanpakken? Sinds de Franse econoom Thomas Piketty zijn bestseller Kapitaal in de 21ste eeuw publiceerde, is vermogensongelijkheid een populair onderwerp. De rijkste 1 procent als aparte groep en vijand is een uitvinding die we te danken hebben aan de crisis van 2008. Is het verwerpelijk dat er superrijken zijn? Nee, zolang hun vermogen binnen de grenzen van de wet is vergaard niet.

Is het erg dat zij een privejet hebben en ik een tweedehands fiets? Is het erg dat exorbitant rijken villa’s hebben met zwembaden, tennisbanen en maneges, terwijl ik één hoog op zestig vierkante meter woon? Nee. Het vraagstuk omtrent vermogensongelijkheid moet niet versimpeld worden tot afgunst tegenover de makkelijk te identificeren vijand: de extreem rijken.

Neem Nederland: de armste tien procent van het land bestaat voor 70 procent uit huiseigenaren met een hypotheek “onder water”. Dat is vervelend, maar in hoeverre is dit echte armoede? Als je de maandelijkse hypotheeklasten kunt opbrengen en geen verhuisplannen koestert, ben je vooral arm op papier. Bij een aantrekkende woningmarkt kan het vermogensplaatje er over twee jaar heel anders uitzien.

De mens is een competitief wezen dat zich graag vergelijkt met de medemens. Er zijn onderzoeken die aantonen dat mensen liever in een samenleving wonen waar zij 25.000 euro verdienen, terwijl de rest 20.000 euro verdient dan dat ze 50.000 euro verdienen in een samenleving waarin de anderen 100.000 euro opstrijken. Zelfs al is het levensonderhoud in beide samenlevingen even duur.

Een focus op welvaartsverdeling is te veel een focus op deze makke van de mens. We kunnen ons beter richting op welzijnsverdeling. Het is niet zo bijster interessant dat 80 exorbitant rijken net zoveel bezitten als de helft van de wereldbevolking. Wat ik wil weten: hoe is de leefsituatie van de 3,5 miljard armsten? Hebben ze afdoende voedsel, een dak boven het hoofd, onderwijs, een veilige werkomgeving, etcetera.

Het echt droevige nieuws is dat de welzijnsverdeling bar slecht is. De wereld telt nog 1 miljard hongerigen, terwijl in Nederland 40 procent van de populatie overgewicht heeft. Het indrukwekkende drieluik De Klerewereld van journalisten Teun van de Keuken en Roland Duong toont aan dat in landen als India, Bangladesh en Turkije het welzijn van arbeiders opgeofferd wordt voor onze welvaart. Kinderarbeid, (brand)gevaarlijke gebouwen, onbeschermd werken met chemische stoffen, lange werkdagen en lage lonen zijn enkele van de misstanden. Volgens een Indiase fabriekseigenaar die wel op een verantwoorde manier produceert zijn de meerkosten van een ethisch verantwoorde productie 2 euro per trui. Een bedrag dat ook de 10 armste procent in Nederland vaak kan missen. Maar we doen het niet. Dat is de armoede van welvaart.