Column Nicolaas Klei: Dooie muisjes

Ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Haagse Post schreven we een wedstrijd uit onder columnisten, over het thema ‘Alledaagse waanzin’, naar een aloude rubriek in de Haagse Post. Dit is de winnende bijdrage, van Nicolaas Klei.

Het was half drie in de ochtend toen ik beboet werd. Ik was het enige verkeer in de verre omtrek, maar door rood rijden is door rood rijden. En ook had ik m’n arm niet uitgestoken bij het afslaan. Naam, adres en wat doet u voor de kost mijnheer? ‘Heel veel wijn drinken en daar stukjes over schrijven’ leek me nu niet het juiste antwoord, dus ik zei dat ik niet echt een beroep had.

Ja, lang geleden, als vakkenvuller tweedeklas, bij de plaatselijke supermarkt. De filiaalchef heette Korting, en lang voor mij had Albert Heijn zelluf er z’n vakantiewerk gedaan. Achter, in het magazijn, was er een vroege voorloper van de robotisering in de vorm van een lopende band waarmee je dozen kruidenierswaren uit de kelder naar boven kon halen, waarin ik als ervaren Legospeler snel heel bedreven was, en volwassen werd ik toen ik na een paar weken begreep dat chef Korting met poezepetten maandverband bedoelde.

Bij het inklaren van vers pleepapier zei hij immer zuchtend dat ze hier scheten als de beren, waarbij ik onbeholpen probeerde te kijken alsof ik niet tot de hullie van hier in de buurt behoorde, vooral ook omdat mijn vader graag grote voorraden aanlegde van toiletrollen en ander nuttigs, want je zal maar zonder zitten, en de Russen konden toen ook nog komen.

Mijn werk bestond ondertussen vooral uit het heimelijk verwijderen van door muizen uitgeholde rollen koekjes en beschuiten. Heimelijk, want de klanten mochten anders eens denken. Dat de klanten niet dachten, zelfs niet tijdens al hun Denker-van-Rodin-uren op de pot, en het supermarktje bleven frequenteren, was een raadsel, want het eerste dat iedereen met een gezond reukorgaan bij het betreden van het filiaal zou moeten opvallen was: Ha, hier verkopen ze dooie muisjes!

Een zomer later werd ik bij een onbestemde firma de personeelsadministratie binnengeschoven. Twee tobberige mannen keken op van hun kaartenbakken en vroegen: “Wat kom je hier doen?” Ik had gehoopt dat zij dat wisten. Een geconsulteerde hogere instantie zei dat ik was aangenomen om te typen. “Maar wat moet hij dan typen? We lopen al vier maanden achter doordat Teunis zo nodig uit het raam moest springen.” Ik zei dat ik niets wist van typen.

Maar ja, ik was nu eenmaal aangenomen, dus ik kon die kaartenbak wel controleren, of alles keurig op alfabet stond. Nu wel, zei ik een half uurtje later. De mannen probeerden vertwijfeld een volgend karweitje te verzinnen. Vaak zat ik tijden te niksen, omdat de mannen zo druk bezig waren dat ik ze niet durfde te storen met het verzoek om een verse bezigheid.

Na twee weken kwam ik binnen met taartjes. “Afscheid? Maar je zou toch drie weken blijven?” Niet dat ik wist, en ik dacht dat ze blij zouden zijn dat ik eindelijk opdonderde met m’n nutteloze ijver.

Ik bleef nog een week.

Daarna sprong ik met al m’n verdiende centjes het raam uit en besloot aan de drank te gaan. Desnoods beroepshalve.