Grootmeester van de taal: Ilja Leonard Pfeijffer vertelt

Vanaf elf uur des ochtends houdt hij in zijn voormalige stamcafé te Leiden lange interviewsessies, reeds zes in getal. De ruim zes jaar in Genua woonachtige Ilja Leonard Pfeijffer (47) is, zeker na de bekroning van zijn roman La Superba – ‘de Hoogmoedige’, de bijnaam van Genua – met de Librisprijs 2014, een veelgevraagd auteur in de kolommen van dagbladen en tijdschriften. Een aantal fragmenten uit het gesprek dat Tom Kellerhuis voor HP/De Tijd met hem voerde.

Hoe kom je aan dat fenomenale schrijftalent?
“Als het talent is, kan ik die vraag niet beantwoorden. Ik kan alleen maar zeggen wat ik er zelf aan heb gedaan. Ik heb een grote intrinsieke belangstelling. Ik word niet moe van keihard werken.”

Wie is volgens Ilja Pfeijffer de grootste nationale schrijver?
“Je bedoelt aller tijden? Nog leven? Prozaschrijver of dichter? Van het Nederlandse taalgebied of ook van België? De grootste dichters van de Nederlandse taal zijn Vondel en Lucebert. Om de rijkdom van hun vocabulaire en beeldentaal. En van de naoorlogse literatuur, helemaal niet zo origineel, vind ik Gerard Reve de grootste prozaschrijver. Uniek, vernieuwend en niet na te doen. Vooral Op weg naar het einde en Nader tot u. Dat bestaat toch niet in het buitenland? Het is op een bepaalde manier onvertalbaar. Het slaat daar ook helemaal niet aan.”

Ik had verwacht dat je jezelf zou noemen.
“Ik heb er geen bezwaar tegen als anderen dat doen, maar ik doe dat niet zelf. Uit een soort van valse bescheidenheid. Hoewel een gebrek aan zelfvertrouwen een karakterfout is die ik niet bezit. Maar ik laat het liever zien dan dat ik erover aan een cafétafel zit te praten.”

De meeste grote Nederlandse schrijvers doen dat wel. Neem de Grote Drie.
“Die zogenaamde Grote Drie vind ik een merkwaardig verschijnsel. In welke literatuur heb je dat? Noem mij eens de Grote Drie van Engeland, van Duitsland, van Zweden? Die heb je daar toch ook niet? Eigenlijk was het een sublieme marketingtruc. Allemaal spektakel voor de bühne, maar voor de buitenwereld hebben ze altijd met z’n drieën een front opgetrokken. Wolkers mocht er niet bij horen, Komrij ook niet. Slim bedacht. Want we hebben het nu nog steeds over de Grote Drie.”

Ben je niet jaloers op het succes van iemand als Arnon Grunberg?
“Grunberg is een soort van bedrijf. Hij is een multinational geworden. Maar nee. Ik kan misschien jaloers zijn op zijn zakelijke manier van aanpak, maar ik vind hem artistiek niet zo interessant.”

Je vermoedt dat het schrijven een truc is?
“Ik wéét dat het een truc is. Hij schrijft steeds hetzelfde boek. Hij kan een verhaal vertellen, daar is hij niet slecht in, hoor. Maar die stijl, die zinnen, dat is een toontje.”

Ongemakkelijke uitspraken over collega’s schuw je niet, al lig je polemisch alweer een tijdje stil.
“Ja, ik moet even een nieuw slachtoffer hebben. Het komt wel weer, maar er is op dit moment niemand die mij heeft gekwetst.”

Moet het per se iemand zijn die je heeft gekwetst?
“Nee, je hebt gelijk, dat hoeft helemaal niet. Ik pak gewoon iemand die totaal onwetend door Amsterdam kuiert en door mij plotseling getroffen wordt door een precisiebombardement. Al zou ik nu niet weten wie. Mijn eeuwige slachtoffer is Arie Storm (literatuurcriticus van Het Parool – TK), maar hij is wel een heel makkelijk slachtoffer. Hahaha.”

Het volledige interview met Ilja Leonard Pfeijffer kunt u lezen in het februarinummer van HP/De Tijd, dat nu in de winkel ligt. Bekijk hier de andere onderwerpen en lees HP/De Tijd direct online, of sluit hier een voordelig (proef)abonnement af.