WK Cyclocross: Vlaanderen in een handige reiseditie

Wat zullen ze genoten hebben, zondagmiddag, in Café Fiere Margriet in Leuven. Steeds als de koplopers van het WK veldrijden een haakse bocht maakten, kwam er een spandoek met de naam van de kroeg in beeld. De eigenaar, een vaste gast? ‘Och jongens kijk! Zatte Freddy! Op d’n televies! Met een stuk beddengoed!’
Vreemde sport, dat veldrijden. Of: cyclocross, zoals ze het in Vlaanderen nog de suggestie van een internationaal karakter proberen te geven.

Ergens halverwege op het parkoers dat bij serieuze topsport begint en finisht bij de plat-Vlaamse folklore van FC De Kampioenen en de eerste Duvel op maandagochtend bevindt zich de cross. De cross is een kunstmatige wereld waar camp en bittere ernst broederlijk naast elkaar een broodje warme worst staan weg te werken. Een wereld waarin volwassen mannen zich zo vies mogelijk maken om op een racefiets door een modderig weiland te ploegen. Je moet je ervoor openstellen, en dat vereist volharding: je moet je de taal zien eigen te maken, je moet de schoonheid van smerigheid willen begrijpen en je moet een beetje van België houden.
Misschien houd ik daarom van de cross en beschouw ik bij het schaatsen, ons eigen wintermethadon voor wielerverslaafden, diezelfde folklore als een uitwas van een naar verveling walmend nationalisme dat “we” te pas en te onpas praktiseren.
Ik houd van Vlaanderen, ook omdat er zoveel Vlamingen wonen (Daarin sta ik overigens niet alleen: commentator Michel Wuyts heeft dat ook). En als Vlamingen het WK Cyclocross op een sombere zondag in treurig Tsjechië beschouwen als hun jaarlijkse climax van trotse folklore beschouwen, dan ik ook.
De cross, het is Vlaanderen in een handige reiseditie.

De MUTS
Gisteren was alles Vlaanderen.
Zelfs dooiende sneeuw kreeg iets mooi-bescheidens.
Iemand torste een spandoek met de tekst: ‘Karine, giet mijn bloemen’. Onmiddellijk doemde Karine voor me op. Het was een gezette Vlaamse van een jaar of vijftig, een dame met een gebloemd schort voor haar gebloemde rok, het soort vrouw dat onder aan haar benen geen voeten, maar sloffen heeft. Karine stond in de keuken – een beetje Karine staat hele zondagen in de keuken, achter pannen die pruttelen in West-Vlaams dialect – toen haar man haar riep.
Hans heette haar man, Gans voor vrienden. Karine en Gans kenden elkaar uit het dorp, evenveel jaren als kilo’s geleden. Gans was toen nog coureur geweest, maar niet een heel goede.
Ze verstond niet wat Gans haar toeriep. Hij zat in de kamer, hij keek koers. Zelf keek ze geen koers meer, niet sinds Bart Wellens het allemaal niet meer kon bolwerken. Die was leuk, Bart Wellens.
Of ze de bloemen wilde gieten. Dat riep hij.
Bloemen? Welke bloemen? Ze wist van geen bloemen, ze had geen bloemen, niet in februari. De buren wel, de buren hadden altijd bloemen, in de vensterbank naast de urn, maar de buren waren niet thuis; die waren naar Tabor, met de camper naar de cross… Karine roerde in de pannen en besloot dat ze Gans niet goed verstaan moest hebben.

Er was het commentaar, van opperVlaming Wuyts.
Er waren tuimelpertes, lucide momenten en bijpikkelstroken.
Er was Wout van Aert, de Vlaamse favoriet met het bozige Pupil van de Week-gezicht.
Er was de ploegleider van de Nederlandse ster Mathieu van der Poel, die Christophe Roodhooft bleek te heten.
Er was de Nederlandse journalist Daan Hakkenberg, die Adrie, de vader van Mathieu, fotografeerde: een man met een muts, een fiets op de schouder en twee wielen in zijn hand. (Een paar minuten eerder was Adries zoon wereldkampioen geworden, en Adrie ging de fiets wassen. Stel u voor: Robin van Persie kopt er in de finale tegen Duitsland nog zo’n toverbal in en halverwege het ererondje duikt Bob van Persie met een muts op z’n hoofd en een emmertje in z’n hand op langs het veld, om zo snel mogelijk de modderkluiten tussen de noppen uit te borstelen. Geef toe: dat zou er verdomd Vlaams uitzien).
En er was De Muts.
De Muts van Renaat Schotte.
Het was een ongelofelijke muts, te mooi voor het woord ‘muts’ eigenlijk. Meer een warme hoed. Een muts met een hoofdletter M, een hoofdletter U, een hoofdletter T en –vooruit – een hoofdletters S. Een witte muts was het, van een cross in Las Vegas. Hij was strak over de reportersoren getrokken, zoals wanneer je een slaapzak weer in zo’n klein hoesje probeert te proppen: het past, omdat je weet dat het de vorige keer ook paste.
Een schitterende MUTS was het, van Renaat, die er overigens zelf bij keek alsof hij helemaal geen witte MUTS van CrossVegas droeg: de objectieve blik in zijn ogen correspondeerde in het geheel niet met wat er zich boven zijn wenkbrauwen afspeelde.
Een witte muts dragen alsof je helemaal geen witte muts draagt; dat kan dus alleen in de cross.

Vlaams
God, de cross… Je kunt er van alles op tegen hebben: te knullig, te klein, te kermisachtig.
Te voorspelbaar ook, maar wat kan het schelen: heerlijk als er in het leven tenminste iets te voorspellen valt – al is het maar de overmacht van twee jongens van twintig in een tak van sport die je alleen ziet als je je lenzen in hebt.
Zelfs die ene Hollander in de regenboogtrui sprak Vlaams.