Recensenten zijn ratten

Recensenten zijn zuur, corrupt en gefrustreerd. Het zijn gemankeerde kunstenaars die andermans levenswerk lachend de grond in boren. Tenminste: als ze zouden lachen, want eigenlijk vinden ze lachen iets vulgairs. Plezier voelen ze alleen bij het schrijven van hun even vernietigende als slecht geïnformeerde oordelen, en ze spugen op alles wat vermakelijk en toegankelijk is.

Dat is zo ongeveer de recensent die we in films en boeken tegenkomen. In een handvol Woody Allen-films, bij John Irving, en pas nog in Birdman. Geweldige, krankzinnige film, over een uitgerangeerde acteur die op Broadway debuteert. Alles klopt, van de briesende Michael Keaton tot het verbluffende camerawerk en de gejaagde soundtrack – alles behalve de recensente, gespeeld door Lindsay Duncan.

De recensente is een heks. Avond aan avond drinkt ze Martini’s in het Theater District, terwijl ze haar minzame blik laat gaan over de acterende onderkruipsels om haar heen. Nog voor ze ook maar één seconde van Michael Keatons stuk heeft gezien, bijt ze hem toe dat ze zijn werk kapot gaat maken. Natuurlijk is haar mening de enige mening die ertoe doet in New York (begrijpelijk – het is nou eenmaal een klein stadje).

Geen enkel kind…
Er volgen nog wat voorspelbare verbale gevechten. De heks heeft een schurfthekel aan alles wat populair is, het interesseert haar niet hoe goed of slecht Keatons stuk is. “Wat moet er met je gebeurd zijn als je recensent wordt,” verzucht de acteur. Een variant op het cliché ‘geen enkel kind wil later recensent worden’.

Een nogal vervelende standaardzin, gemakzuchtig en ondoordacht. Hoeveel kinderen weten überhaupt dat er zo’n beroep bestaat? Als iemand mij op mijn achtste had verteld dat ik later geld zou kunnen verdienen met boeken lezen, had ik het waarschijnlijk niet geloofd. Alsof ze je geld gaven om drie keer per dag patat te eten. Lezen, voor geld! Zo’n beroep had ik zonder aarzelen verkozen boven dat van politieagent, dokter, brandweerman, advocaat.

Typetjes en ratten
Natuurlijk, in Birdman komen acteurs er ook niet al te best vanaf. Ze zijn ijdel, grillig en hypersensitief. Maar het zijn wel volwaardige karakters. Geen typetjes. En zeker geen typetjes die we al veel te vaak hebben gezien, in films, in boeken en toneelstukken – en maar zelden in het leven zelf.

Natuurlijk zitten er ratten tussen. En ook de minder rattige types schrijven af en toe ellendige, vooringenomen stukken. Maar hoeveel recensenten hebben hun beroep gekozen om hun slechte humeur vrijelijk te kunnen uiten? Een wilde gok: nul.

De ellende uitzitten
De meeste recensenten schrijven het liefst positieve stukken. Het is namelijk stomvervelend om boeken te bespreken waar je niks aan vindt. Een normale toeschouwer kan het boek in de vuilnisbak gooien, de zaal uitlopen, of op zijn minst vrijuit peinzen over een onbereikbare liefde of de boodschappen voor morgen. Een recensent moet de hele ellende uitzitten, en nog aandachtig blijven ook.

Misschien zijn toegewijde, integere recensenten niet zulke spannende personages. Maar het typetje van de gefrustreerde criticus begint inmiddels ook behoorlijk saai te worden. Je zou een keer een geloofwaardige recensent willen zien: een liefhebber, die niet schrijft uit sadisme, maar uit enthousiasme. Het personage mag verder zo ijdel, grillig en hypersensitief zijn als maar kan. Graag zelfs.