Hitsige majorettes in Zwijnegat (carnaval in Zeeland)

Afgelopen vrijdag sjeesde ik naar Den Bosch waar meneer K zich in zijn atelier had verschanst, op de vlucht voor polonaises en meters bier. Moedig trotseerde ik het indrinkende Bossche volk dat verkleed als duif, alpenmeisje of anderszins belachelijk uitgedost door de straten hoste, in blijde afwachting van de driedaagse Vergetelheid.

Daarna raceten wij door naar Zeeland, naar het huisje op de dijk dat al bijna honderd jaar omringd wordt door de Oosterschelde, vijf bomen en een molen. Opgelucht stapten wij de auto uit. Hier kon ons niets gebeuren. Meneer K maakte de houtkachel aan, ik hing een foto van Toon Hermans aan de muur en kookte spaghetti.

toon6

Toon knikte ons vanaf zijn bankje in een park gemoedelijk toe. Met de ellebogen op zijn knieën, vaderlijk voorovergebogen leek hij ons te willen zeggen dat we er goed aan hadden gedaan. Natuurlijk, hij was altijd in voor een gebbetje en heus niet te beroerd om af en toe eens uit zijn plaat te gaan, maar carnaval? Dat slaafse dronken achter elkaar aan sjokken? Nee, dat ging zelfs Toon te ver. Zijn lichtbruine kalfslederen schoenen pasten mooi bij de stemmige herfstbladeren op de grond en de maritieme blauw-wit gestreepte sokken die erboven uitstaken straalden pure vrijheid en avontuurlijkheid uit.

 

Zwijnengat
Al na de eerste hap spaghetti hoorden wij het. Ergens achter de molen klonk het doffe gedreun van pauken, drums. Tientallen koperwerkers vielen in. Verward liepen we de straat op. Een buurman wist te vertellen dat ons Zeeuwse dorpje, dit toonbeeld van rust en vrede, tijdens carnaval veranderde in ‘Zwijnegat’. “Maar er zijn hier helemaal geen zwijnen!” riepen wij vertwijfeld uit. De buurman lachte ons hard uit, liep naar binnen en keerde verkleed als eend terug. Op het kwaken had hij naar eigen zeggen flink geoefend en met overstuurde stembanden waggelde hij over de dijk heen en weer.

Kunstelromans
De volgende dag las ik ‘Russisch blauw’ van Rascha Peper (1949-2013). Ik hou van de manier waarop zij schrijft. Helder en zorgvuldig. Dat zouden meer mensen moeten doen. Het is gek, maar hou ouder ik word, hoe meer ik een snerthekel krijg aan log geconstrueerde kunstelromans die zogenaamd moeten verraden hoe erudiet de architect van zo’n tempel der zelfverheerlijking is.

Ondertussen werden in ‘Russisch blauw’ de Romanovs gruwelijk afgeslacht. De arme Aleksej met de dode tsaar half over hem heen, de krijsende en rondrennende tsarenmeisjes, gepantserd door hun met achttien pond diamanten verzwaarde korsetjes waar geen kogel, geen bajonet doorheen ging. De vloer onbegaanbaar door bloed.

Geile majorettes
Die nacht droomde ik van dronken eenden, behangen met medaillons van Raspoetin, die onschuldige dorpsbewoners doodschoten waarna ze hun bebloede bajonetten in zwijnegaten staken. Op de achtergrond scandeerde een koor van geile majorettes zonder ondergoed monotoon: ‘Alaaf, alaaf, aláááf’. Toon Hermans stapte uit zijn plaatje boven de kachel, rende naar buiten en duwde achter de molen de punt van zijn kalfslederen schoen tussen de benen van de majorettes die kirden van plezier. Ik hoopte maar dat zijn maritieme sokken niet vies werden.

Toontje lager
Om vijf uur werd ik gillend wakker. Meneer K nam mij in zijn armen en suste dat alles goed kwam. En dat Toon Hermans trouwens dol op carnaval was, ik kende ‘Mien waar is mijn feestneus’ toch zeker wel? Daarna ging ik woorden van gezegdes in ‘Toon’ veranderen. ‘Beter één Toon in de hand dan tien in de lucht’, bijvoorbeeld. Of, ‘Beter een goeie Toon dan een verre vriend’. Bij ‘Ieder Toontje zingt zoals het gebekt is’ dreigde meneer K mij loeistrak aan de wieken van de molen vast te binden als ik niet ophield. Verlangend dacht ik aan de punt van Toon zijn kalfslederen schoen. De gewillige majorettes. Shibari meesters. Kwakende buurmannen in eendenpakken. Allemaal achter, bij de molen.