Het K-woord

Het begon allemaal een paar weken geleden. We waren bij vrienden, de vriendin en ik, we babbelden ons wat door de avond heen en plots, precies op het moment dat de vriendin op het toilet was, liep ik zomaar een hinderlaag van de overige aanwezigen in.

Of we er al aan dachten.
Een termijn in gedachten hadden.
Het K-woord.
‘Jullie zijn er aan toe,’ zei een kennis op een poef.
‘Jullie moeten er toch op de een of andere manier mee bezig zijn,’ stelde een vriend vast die op het gebied van bezigheden een reputatie hoog te houden heeft. ‘Met jullie prestaties.’ Van prestaties heeft hij minder kaas gegeten.
Ze zouden het zo’n opluchting vinden als we het gewoon zeiden, riepen ze door elkaar heen. Meteen daarna kwam de vriendin terug van het toilet. Haar werd niets gevraagd, alsof er geen K-woord bestond, alsof zij niet de coproducent van ons succes is.

Er kon nog van alles gebeuren
Eenmaal thuis vroeg ik haar hoe zij dacht over het K-woord.
Zij vond het nog te vroeg om daar iets zinnigs over te zeggen. We waren, zo zei ze, een jonge ploeg en er kon nog van alles gebeuren.
Daar had ze natuurlijk gelijk in.
‘Toch begrijp ik ze wel,’ mompelde ik, terwijl ik met de scherpe punt van een wijsvingernagel wat interessante gedachten van de binnenkant van mijn neus schraapte. ‘We zijn al lang in vorm, we zijn tamelijk consistent. Sommige stemmen in de buitenwereld menen dat we eraan toe zijn.’
De vriendin stelt zich al langer op het standpunt dat je de zaak dag per dag moet bekijken. Dat je in het leven – en zeker als het om het K-woord gaat – niet te ver vooruit moet kijken. Zij beschouwt iedere dag als een finale, ze weet alles van de beer en z’n huid, ze ziet ook in de vroege lente de zwaluwen al aan de hemel.

Onze fans houden minder slagen om de arm. Op straat worden we de laatste weken steeds vaker aangeklampt, voorbarig gefeliciteerd en toegezongen. Het is niet eenvoudig om in dit soort situaties je focus te houden, om te blijven zeggen: we zijn er niet voordat we er zijn, we vieren niets voor er iets te vieren valt en morgen moeten we er gewoon weer staan. Bovendien – en dat vergeten de mensen nogal eens – willen we ook in Europa blijven meedoen. Dan moet je niet alles op het K-woord zetten, dat is funest.

Kijk, de doelstelling is het K-woord, daar hoeven we niet moeilijk over te doen. Zijn we ook heel duidelijk in: daar werk je met z’n allen naar toe, daar doe je het voor, je wilt prijzen pakken als stel. Maar je hebt met allerlei factoren te maken: een stukje geluk, blessures, inzinkingen; dat hoort er allemaal bij en dat weten we. Het enige wat je kunt doen, is je stinkende best.
Wanneer de vriendin wordt gevraagd of ze uitkijkt naar het K-woord – wat toch een mooie stap in haar loopbaan zou betekenen – antwoordt ze altijd zeer diplomatiek dat ze onder mijn leiding een enorme groei heeft doorgemaakt, dat ze stappen heeft gemaakt, maar dat ze ook nog niet is uitgeleerd. Dat geloof ik ook, ik kan niet anders dan tevreden zijn met haar arbeid. Ze pakt haar verantwoordelijkheden, ze laat soms prachtige dingen zien, al vraag ik me wel af of ze nu al een stapje hogerop aankan. Blijf nog maar een jaartje, zeg ik dan tegen haar als we samen met een kop thee op de bank het K-woord zitten te vermijden.

Je kunt alleen maar hopen dat de media haar de kop niet gek maken, want zonder haar kan ik het wel schudden, qua K-woord. In mijn K-plannen speelt de vriendin een belangrijke rol, het is niet overdreven te stellen dat we zonder haar het K-woord niet eens hoeven uit te spreken.

Marktplaats
Gisteravond vroeg de vriendin zomaar opeens of ik al had nagedacht over het K-feest.
‘Er is toch nog helemaal geen sprake van het K-woord?’ vroeg ik, enigszins bezorgd, want je bent bij het K-woord ook afhankelijk van de prestaties van anderen.
‘Nee, ik zat gewoon een beetje te fantaseren.’
‘Niet doen,’ zei ik, ‘we mogen niet gaan zweven.’
Vanochtend klapte ze de laptop dicht toen ik met een reuzenpak vlokken de kamer binnenkwam. Toen ik even later mijn mailde wilde checken, zag ik dat ze op Marktplaats had gezocht op ‘platte kar’.