Joost Zwagerman: de ontdekking van de rechtszaak

Joost Zwagerman heeft nu al een dag of vier niet met een rechtszaak gedreigd. Zou het wel goed met hem gaan? Moeten we ons zorgen maken? Of is zijn advocaat gewoon even een welverdiend weekje weg?

Een paar dagen geleden eiste Zwagerman dat studentenblad Propria Cures een deel van een artikel introk. Hij dreigde met een rechtszaak. Dat is niet zo opmerkelijk. Interessant was dit keer vooral de reactie van Zwagermans advocaat, Cor Hellingman. Hellingman refereerde aan een eerdere vete tussen Zwagerman en PC. Een artikel uit 2013 waar ‘werkelijk helemaal niets’ van klopte. Dat is niet helemaal waar: het belangrijkste punt van dat artikel, namelijk dat Joost Zwagerman zestigduizend euro aan subsidie had ontvangen, klopte wél, en was afkomstig uit een jaarsverslag van het Letterenfonds.

Geen onzin
Nog wonderlijker was een andere uitspraak van Hellingman: “Iedereen mag van mijn cliënt alles over hem schrijven, tot aan beledigende teksten aan toe. Maar men moet geen onzin verkopen.”

Een paar opmerkingen. Ten eerste: “Iedereen mag van mijn cliënt alles over hem schrijven.” Dat is dus gewoon niet waar. Sommige dingen over Joost Zwagerman mag je niet schrijven – dan volgt er een rechtszaak. De geruststellende toon is ook opvallend. “Iedereen mag.” Alsof Zwagerman en Hellingman de grondwet even hebben doorgenomen, en nu terloops mededelen welke wetten ze hebben goedgekeurd. Zou iemand ze weleens hebben verteld dat het niet aan hen is om te bepalen wat wel en niet mag?

Tot slot: dat ‘men moet geen onzin verkopen’. Als je ‘alles’ over iemand mag schrijven – impliceert dat dan niet dat je óók onzin mag verkopen? Dat je júist onzin mag verkopen? Is dat niet precies waar die hele vrijheid van meningsuiting voor bedoeld is? Dat je iets kunt schrijven, zinnig of onzinnig, en dat daar vervolgens op gereageerd kan worden – niet alleen door met rechtszaken te dreigen, maar ook, bijvoorbeeld, door een repliek te schrijven?

In een paar zinnen slaagt Hellingman erin om een reeks vragen op te roepen. Zijn reactie is vaag, pompeus en klungelig geformuleerd – je kan je niet voorstellen dat hier veel langer dan een paar seconden over is nagedacht. Misschien krijgt elke schrijver wel de advocaat die hij verdient.