Ian Stannard en de onovertroffen schoonheid van de koers

Zaterdag bleek weer eens hoe prachtig de koers eigenlijk is. Soms zie je er weken of maanden niets van, zit je de lelijkheid eraf te kijken in de hoop dat er schoonheid onder zit, terwijl je langzaam wegglijdt in een droomloze slaap.

Koersliefde is een liefde van de lange adem, dat heeft het gemeen met de koers zelf. Eindeloos sta je met je bosje klaprozen voor de bioscoop te wachten, je trotseert regen, wind en de hoon van hen die een geliefde hebben gekozen die wel komt opdagen, je schrijft honderd brieven zonder antwoord te krijgen, je masseert haar voeten, je droogt haar tranen, je perst haar sinaasappels, plet haar tomaten, kneust haar tijm; je doet wat je kunt en je kunt alleen maar hopen dat er een dag komt dat ze iets terugdoet. Iets groots.

Zaterdag was het zo ver.

Ribbedebie

In de Omloop het Volk – barbaren mogen Omloop Het Nieuwsblad zeggen – reden vier man op kop: drie van een ploeg en eentje van een andere ploeg.

Boonen. Terpstra. Vandenbergh.

Stannard.

Twee tegen een is in het wielrennen een oneerlijke strijd, drie tegen een is een gelopen race.

Op 4 kilometer en 700 meter demarreerde Tom Boonen, Gods plaatsvervanger op het smalle zadel. Terpstra en Vandenbergh keken naar Stannard, een man met een gezicht als een pak rijstwafels en oren die zo ver van zijn hoofd afstonden alsof ze zich van dat hoofd wilde distantiëren.

Stannard deed niks. Hij zat in een berenklem van de concurrentie, met iedere beweging zou het ijzer zich dieper in zijn vlees vastzetten.

Afgelopen, uit. Koers gedaan, Boonen gewonnen, iedereen bevredigd en op naar de Driedaagse van West-Vlaanderen maar.

Dachten Wuyts en De Cauwer, de goedheiligmannen van het openingsweekend, ook.

De Cauwer: ‘Hij is weg, het is gedaan.’

Wuyts: ‘Hij is vertrokken.’

De Cauwer: ‘Hij is weg.’

Ik zat thuis en dacht: die is weg. En omdat er niemand was om die stelligheid mee te delen, belde ik mijn vriendin, die het openingsweekend elders vierde. Ze nam op, zei ‘Hallo’, ik zei ‘Die is weg’ en hing weer op.

De stem van Wuyts huppelde een paar octaven omhoog. ‘Stannard moet dat dan maar gaan oplossen, maar gaat hij dat nog oplossen? Ik denk het niet. Als Boonen niet lek rijdt, dan is ie ribbedebie, foetsie.’

Ribbedebie. Wat had ik dat gemist.

Wuyts vervolgde: ‘Hij weet ook wel dat als hij dat gat dicht krijgt of tot ongeveer twintig meter, dan zit daar Terpstra, en Vandenbergh.’

Het was kortom gewonnen spel. Ik sms’te mijn vriendin Gewonnen spel en ging een kop thee zetten, lekker sterk, want het was feest.

De toon van de commentatoren sloeg om: Stannard keerde terug. Sukkel, die begreep niks van tactiek. Je moet weten wanneer je het hoofd moet buigen, gracieus verliezen is ook een kunst.

‘Jammer,’ mompelde De Cauwer objectief, ‘ik had toch gepeinsd dat hij weg was.’

Onmiddellijk nadat Boonen was ingehaald, versnelde Terpstra.

Ja, dacht ik, zo slacht je een Brit. Wie niet horen wil, moet maar voelen.

En toen gebeurde er iets onbegrijpelijks. (De koers zit vol onbegrijpelijks, dat neem je op de koop toe, zo redden de beste relaties het tot de finish, maar dit ging verder; dit was een vorm van onbegrijpelijkheid die iedere beschrijving tart. Toch ga ik het proberen, dat beschrijven).

Boonen keek in de ogen van zijn knecht Vandenbergh. Het volgende moment licht Vandenbergh zijn billen van het zadel en begint achter zijn ploegmaat aan te jagen.

Waarom?

Joost mocht het weten.

De Cauwer: ‘Dat had hij niet mogen doen.’

Michel: ‘Vandenbergh achter Terpstra, maar waarom in godsnaam?’

De Cauwer: ‘Dat vraag ik mij ook af.’

Als hun onbegrip vloeibaar was geweest, hadden ze de rest van de wedstrijd met een snorkel op moeten becommentariëren.

En het werd nog gekker.

Nog gekker?

Ja, nog gekker.

Toen Terpstra was ingelopen, ging Stannard zelf.

Wuyts: ‘Gaat ie nu zelf. Gaat ie zelf? Daar gaat ie zelf!’

Wat ging die halfgare Brit nu doen? In welk wielerhandboek stond dit? Waar ging dit heen? Waarom is er zoveel oorlog? Vragen, vragen.

‘Pardon? Dat kan toch niet!’

Wuyts’ vertwijfeling stroomde door het tv-scherm zo mijn kamer in en klotste onrustig tegen de plinten. Ondertussen werd Vandenbergh afgeschud als een rotte kers in een herfststorm. Ook voor Boonen – De Grote, De Grandioze, De Godsonmogelijke – ging het te hard: hij hing een tijdje op een paar meter, als een brugklassertje met wind tegen na een lange schooldag, maar stortte daarna in de greppel van het onvermogen.

‘Onvoorstelbaar, hetgeen we hier zien,’ mompelde De Cauwer, nadat hij zijn voorstellingsvermogen als een dropveter had uitgerekt.

Tenslotte trok Terpstra de sprint voor Stannard aan.

Stannard won.

Een wat al te vaak gebruikte theedoek

Even later zat hij op een stoeltje, de jongere en slankere broer van Onslow uit Keeping up Appearances. Een hand van een onzichtbare verzorger veegde met een oud washandje nog wat extra vuil op z’n gezicht. Hier zat de man die zojuist het onmogelijke had gedaan – hij zag eruit als iemand voor wie het mogelijke al een hele opgave leek, maar helden zien er vaak bedrieglijk oenig uit. Op die regel vormde Ian Stannard bepaald geen uitzondering.

Ik belde mijn vriendin, die niet opnam; zij was waarschijnlijk met haar vriendinnen de zege van Stannard aan het vieren met cocktails en pinchos.

Op haar voicemail sprak ik een bericht in dat voornamelijk uit kreten bestond. Daarna zette ik nog een kop thee – want zo’n gekke dag was het wel – en begon ik me te verheugen op Kuurne-Brussel-Kuurne, de zondagwedstrijd die altijd aanvoelt als een slag in het gezicht met een vochtige en wat al te vaak gebruikte theedoek.

Ach wat: op de finale van de Omloop het Volk kon ik weer een seizoen lang teren.