Er is zo veel te beleven, elke vierkante meter van het bestaan

Het weekend was gevuld met onrust, de maandagse sportcolumnist maakte zich zorgen. Steeds weer liep hij hetzelfde rondje door zijn werkkamer annex woonkamer annex eetkamer annex keuken annex lounge – efficiency staat bij hem hoog in het vaandel – en prakkiseerde over de wereld van de sport.

Na zijn zesde rondje (31,4) schoof de maandagse sportcolumnist weer aan tafel, nam de laptop ter schoot en liet de onderwerpen zijn innerlijke revue passeren. Te weinig onderwerpen waren er nooit, te veel wel. En ‘te’ is nooit goed, ook niet voor maandagse columnisten, zelfs tequila niet.

De vooruitgang in een horloge
In Siena werd de Strade Bianche verreden, de fraaiste wielerkoers van het jaar, van het impressionistische soort. Daar zou de maandagse sportcolumnist over kunnen schrijven, zo’n wedstrijd was een kolfje naar zijn hand. Zelf was hij meer dan eens in Siena geweest, als je goed zocht, kon je zijn voetstappen op het Piazza del Campo nog terugvinden. Ook had de sportcolumnist op schelle zomerdagen weleens over de Hilversumse hei gefietst, over witte fietspaden van gekneusde schelpen naar een theehuis met een oude geit, dus je kon stellen dat hij een ervaringsdeskundige was op het gebied van de Strade Bianche.
Hij tikte een paar regels, iets over Toscaanse luchten en bovenbenen van terracotta en dat soort dingen meer, maar dat beviel hem maar matig. De vervoering die de wedstrijd verdiende, wilde maar niet uit de zinnen opstijgen, dus drukte de sportcolumnist op backspace en begon opnieuw. Onderwerpen die als dode eenden in het water vallen horen bij het wezen van de maandagse sportcolumnist, net als koffie en een trosje zondagsgedachten.
Het tweede onderwerp dat de sportcolumnist bij de horens vatte, was Memphis Depay, maar alles wat hij over Memphis Depay opschreef, bleek door beter geïnformeerde collega’s al beter geïnformeerd te zijn opgeschreven. Hij deed nog een halfslachtige poging om uit de tatoeages op Depays arm een column te persen, maar er kwam alleen maar pulp uit.
Op de achtergrond gleed Sven Kramer door het beeld met de regelmaat van een boekenweekgeschenkschrijver op signeertournee. Kennelijk gleed hij niet snel genoeg, want na de finish keek Kramer als een kind dat op z’n verjaardag weliswaar de gevraagde brandweerauto krijgt, maar geen echte, maar een schaalmodel. Nooit had de sportcolumnist een poging gedaan om uit Sven Kramer een column te houwen, met name omdat hij daar nooit zin in had gehad. Hij peilde even bij zichzelf hoe het er ditmaal mee stond en ja hoor: nog altijd geen zin.

De tijd nam happen uit het weekend, buiten dansten de pollen niesbaar in het zonlicht en binnen werd de sportcolumnist opgeschrikt uit een diepe mijmering door de vriendin van de sportcolumnist, die de kamer in hinkelde.
‘Waarom hinkel je?’ vroeg hij.
‘Het gaat om het hoe, niet om het waarom,’ antwoordde zij en hopste naar de fruitschaal. Ze keek schattend naar de kiwi’s, hield haar horloge boven de schaal en wachtte.
Niet rijp. Ik herhaal: niet rijp, zei het horloge.
‘De vooruitgang hou je niet tegen,’ monkelde de maandagse sportcolumnist en keek – niet voor het eerst – op van zijn eigen oorspronkelijkheid.
‘Schrijf daar dan over,’ zei de vriendin, terwijl ze een theezakje in de waterkoker hing, want dat soort dingen doet ze soms.
De sportcolumnist zuchtte, want wist zij veel dat men juist in de sport de vooruitgang wel met man en macht buiten de deur hield, alsof het niet de vooruitgang zelf was, maar als vooruitgang vermomde kinderpostzegelventertjes.

Zoveel te beleven
En Sven Kramer werd wereldkampioen en de zondag vond het mooi geweest en Remco Campert, ex-C-junior bij SV Epe, zei: ‘Er is zoveel te beleven, elke vierkante meter van het bestaan.’
Nog even en dan is het maandag, dacht de maandagse sportcolumnist. Dan komt de rest vanzelf.