Het goede doel staat liever niet in de Kalverstraat

Een klein beetje voor een betere wereld, meer om mijn geweten te sussen en vooral omdat het de dichtstbijzijnde optie is, haal ik mijn lunch tegenwoordig bij de biologische supermarkt.

Voor de deur werd ik staande gehouden door een jongen die vroeg of hij iets mocht vragen. Dat mocht. Ik dacht dat ‘iets’ de weg was. De jongen zag er niet uit als een Amsterdammer, daarvoor was zijn blik te open en zijn haar te lang niet gewassen. Toen bemerkte ik zijn gelukzalige glimlach. Een zendeling. Mijn God!

Hij was inderdaad zendeling, maar dan van het goede doel. Ze staan daar vaker, voor de biowinkel, gewoonlijk herkenbaar aan felgekleurde jasjes en klemborden. Die tijd lijkt voorbij. Een kwalijke ontwikkeling; vanaf nu moet je voor de zekerheid iedereen negeren. Verdwaalde toeristen zullen als zombies blijven dwalen tot de straten dichtslibben gelijk de aderen van een kettingroker, tot de stad langzaam en pijnlijk aan zijn einde komt.

Maar daar ging het nu even niet om. Of ik wel eens nadacht over overbevissing?
Mijn antwoord, ‘niet dagelijks’, maakte veel los.

Wereldzeeën
Ik werd meegevoerd over de wereldzeeën. Het gezicht van de jongen kwam tamelijk dichtbij. Zijn speeksel schuimde enthousiast in zijn mondhoeken. Telkens als ik een stap naar achteren deed, zette hij er een naar voren, tot dit moderne ballet eindigde tussen zijn hoofd en een bakfiets. Zijn adem rook naar shag. De planeet moest gered, maar zijn eigen lichaam kon de kanker krijgen.

Met veel omwegen, tegeltjeswijsheden, infantiele vergelijkingen en dierlijk leed schilderde hij een doembeeld van onherstelbaar lege zeeën. Over tien jaar was het al zover.

Tenzij.

Daar kwam ik in het verhaal. Een kleine bijdrage volstond. Het mocht ook eenmalig.

Het kat-en-muisspel begon.

Geen vis
Ik steun al drie goede doelen; Ik eet geen vis; Ik stem links; Ik moet nodig weer aan het werk; Volgens mij begint het te regenen; Ik reis altijd met de trein; De boodschappen worden ook steeds duurder; Ik vind Greenpeace stom; Ja, nu voel ik toch echt een druppel; Je moeder.

De jongen wist elk argument vakkundig te weerleggen. Hij had zijn hengel uitgeworpen, ik had toegehapt en hoe meer ik tegenspartelde, hoe dieper de haak zich door mijn lip boorde.

‘Ik koop mijn lunch in de biologische supermarkt!’ probeerde ik nog.
‘Waarom denk je dat ik hier sta? In de Kalverstraat zijn ze ook tegen overbevissing, maar als je ze daar om een bijdrage vraagt, kijken ze je glazig aan.’

Ik deed mijn best om glazig te kijken, wat in de wetenschap dat de toekomst van de planeet op mijn schouders rustte natuurlijk niet lukte. De jongen rook bloed. Hij haalde een formuliertje uit zijn jaszak waarop ik mijn gegevens in kon vullen. Zijn vergeelde vinger tikte op een telefoonnummer.
‘Aan de andere kant zit Paula. Als je haar belt, haalt ze je gegevens binnen 24 uur uit het systeem.’

Dat was mijn redding. Die zogenaamde intimiteit, daar wenste ik niet aan mee te doen. Stik er maar in, met je Paula. Morgen koop ik mijn lunch in de Kalverstraat.