Weer bij

We waren in New York, zij en ik. Een hele week. De boel de boel, heerlijke dagen, prima stad – ik zal u er verder niet mee vermoeien. Het was een internetloze trip, en kranten lazen we ook al niet, dus toen we gisternacht het licht tegemoet reisden in een door stewardessen met blonde staarten en strenge ruggen bevrouwde KLM-dubbeldekker, wist ik – meer nog dan anders – van niks. De Actualiteit, die door het jaar heen met behulp van talloze digitale kanalen bij me naar binnen wordt gegoten, als maïspap in een foie grasgans, was van de ene dag op de andere teruggebracht tot nieuwe ontbijtrestaurants, nieuwe koffieplekjes, nieuwe lunchgelegenheden, nieuwe smoothieverkopers, nieuwe macrobioten, nieuwe theetuinen, nieuwe cocktailshakers, nieuwe ijsjesplekjes, nieuwe pizzapunten, nieuwe humusplaatsen, nieuwe burgerbars en nieuwe visstekjes.

Bij terugkeer trakteerde ik mezelf, stoned-opgefokt van de jetlag, op een overvloedig buffet van De Actualiteit Van Gisteren. Ik keek voetbalwedstrijden terug die de tand des tijds nauwelijks een week hadden weten te doorstaan, ik bestudeerde uitslagen van wielerwedstrijden die in stilte aan me voorbij gegleden waren, ik vrat me door een berg sportkaternen heen vol opwinding over lang gestreden strijden en laafde me aan de opwinding over talenten die intussen al weer afgeschreven waren.

Toen ik tevreden en ietwat simplistisch concludeerde dat ik ‘weer bij was’ (want wie is er nou eigenlijk ooit echt bij, en wat is er eigenlijk op tegen om niet bij te zijn?) begon Milaan – San Remo. ——- ik wilde slapen, zette ik de tv aan. (gelieve hier zelf te kiezen tussen de woorden ‘Ondanks’ en ‘Omdat’).
Milaan – San Remo staat onder wielerliefhebbers bekend als een wedstrijd van niks, een eindeloze flutkoers waarvan de laatste honderd kilometer van het parkoers volledig is bestraat met het vel van vallers van vorige jaren, maar onder wielrenners geldt zij als min of meer het hoogste wat je in een jaar op een enkele dag kunt bereiken, dus er moet iets zijn wat Milaan – San Remo de moeite waard maakt. Misschien komt het doordat het de eerste is, want de eerste is vaak de mooiste – dat geldt voor lentedagen, liefdes, eigenlijk voor alles behalve voor pannekoeken.

Degenkolb
In halfslaap keek ik naar Milaan – San Remo, terwijl zij buiten ging controleren hoe het met de actualiteit in de winkels van onze stad stond. Er gebeurde wat er altijd gebeurde: Maarten Tjallingii reed voorop, het regende, het werd droog, de zon ging schijnen, er kieperden een paar schaduwfavorieten over de vangrail en op de Poggio gaf Gilbert zijn jaarlijkse opvoering van een ‘demarrage tegen beter weten in’ ten beste.
Aan de finish won John Degenkolb, die over een wedstrijd van bijna driehonderd kilometer ongeveer veertig meter op kop had gereden. Later, na de patat en Studio Sport en het meermaals herhalen van de vaststelling dat het in New York leuker was, ging zij naar bed en probeerde ik via een door een suspecte Chinees uit ijzerdraad en colablikjes opgetrokken livestream nog wat flintertjes Messi en Ronaldo de sombere post-vakantiewoonkamer binnen te hijsen. Dat lukte, tot ik kort na de 1-0 van Barcelona het knagende gevoel kreeg dat ik met het openen van die site de digitale achterdeur zo ver had opengezet dat er ergens in Bulgarije nu iemand bezig was al mijn HP-columns en vakantiefoto’s binnen te hengelen. Met een lichte overdosis jonge en belegen actualiteit besloot ik dan maar naar bed te gaan. Als ik nu snel in slaap viel, dacht ik, was ik morgen weer bij. Wat dat ook wezen mocht.