De mooiste Gent-Wevelgem ooit

De meeste wielerliefhebbers zullen iets anders beweren, maar in werkelijkheid is er aan een groot deel van de wielerkoersen op televisie maar weinig aardigheid te beleven. De zaak wordt de helft van de tijd gered door helikopterbeelden van grazige weilanden en omkranst met een voor buitenstaanders onbegrijpelijk jargon, vol woorden die als koekjes van modder en stukjes kassei bij voortduring uit een schier bodemloze koektrommel worden getrokken en aan argeloze kijkers worden gepresenteerd. De rest van de versiering nemen de journalisten en de schrijvers voor hun rekening, die de zaak in stukken en stukjes nog wat verder opkikkeren door details in de koers uit de context te lichten en er pars pro toto voor de sport, het leven en de condition humaine van bakken.

Wie al die make-up van het gezicht van een gemiddelde koers stoempt, houdt een bleek kopje met wallen over.

Dit alles geldt niet voor Gent-Wevelgem 2015.

Kathedraal van een koers
Het was het soort zondagmiddag die ze in de hel als maandagmorgen zouden verkopen, de zondag van Gent-Wevelgem 2015. We werden een uur later wakker dan we toch al wakker werden, onze hoofden klopten als zwerende vingers, de douche weigerde dienst en ergens in de nacht (toen het nog zaterdag leek en het leven te gek en eindeloos) had een muis de geest gegeven in de voorraadkast.
Buiten viel de regen en blies de wind de balkonplanten door de ruiten van de buurman. Om de lethargie nog een handje te helpen, zette ik de tv aan.
Daar waaiden renners van hun fiets.
Ik was verzeild geraakt in Gent-Wevelgem 2015, een kathedraal van een koers.

Het stormde dat het goot, het regende dat het floot, er was een mongolenwaaier, renners reden zich pierendood en linksboven in het scherm, waar de kilometers tot de finish aftelden.
129, stond er.
Michel Wuyts en José De Cauwer klonken op Sporza als der jaren zatte literatuurcritici die zomaar opeens de Beste Roman Ooit op hun bureau hadden gekregen: ze probeerden kritisch te blijven, maar het pure plezier sijpelde bij ieder woord een beetje meer door de voegen van hun schijnbare objectiviteit.
‘En nu rijdt er weer een auto het peloton tegemoet.’
‘Oei.’
‘Het is een auto met een Franse nummerplaat.’
Arie en Gé Temmes in een commentaarhok.
Even later wapperde de Vlaamse reus Gert Steegmans in een beek, van de weg geblazen als een modderig metrokaartje (dit gebeurde echt, bewijzen staan hier).
‘Wij horen zojuist dat Gert Steegmans volledig in een beek is beland.’
‘O jee.’
‘Laten wij hopen dat Gert het overleeft en dat hij dinsdag kan starten in de Driedaagse.’
Af en toe liet Wuyts – in hem woont een dichter van de Vlaamse beweging – zich helemaal gaan: bij een scheldende Jack Bauer, wiens jasje in z’n fiets was komen vast te zitten waarna hij de fiets als geheel stampvoetend in een greppel stortte, declameerde de Sporza-commentator: ‘Textiel. In het achterwiel.’
En steeds als je dacht dat het allemaal niet nog heroïscher en vooroorlogser kon, brak Renaat Schotte in. Renaat zat op een motor die hij bij de start in Deinze zelf had moeten aanzwengelen en die nu door het beestenweer kachelde om halve levenden en hele lijken op te merken en daar verslag van te doen.
‘Michel, de zaak verbrokkelt! De wind ranselt de boel uiteen! Dit is Flanders Fields! Gone with the wind!’
En voort ging de wedstrijd, met Maarten Tjallingii, de vrolijke vegetariër die als een poolreiziger door het Vlaamse land ploegde, nergens heen.
Met Jürgen Roelandts, een man met talent en pech te koop, die vijftig kilometer in zijn eentje rondploeterde. Die een bos in reed, toeschouwers waren er al lang niet meer. Een akker, een verlaten boerenvilla en jagende wolkenluchten. Even verderop stond een man met een muts en een wapperende vlag in een modderig veld.
‘Dit is Jürgen Roelandts. Een jongen die altijd gedag zegt,’ mompelde De Cauwer.
Alle ingrediënten voor Iets Legendarisch lagen voor hem op het aanrecht, hij hoefde het alleen nog aan de kook te brengen, maar de wind blies hem uiteindelijk naar de zevende plek.
Met Niki Terpstra, wiens gezicht iets onmenselijks kreeg, iets wat je wel eens ziet bij mensen die twintig jaar lang in een eenzame schuilkelder de Apocalyps hebben zitten afwachten.
Met Geraint Thomas, die samen met zijn eindeloze verzameling krachten in een drooggevallen grachtje ging liggen.

Gejaagd door de wind
En met Luca Paolini, wiens rossige gezichtsbeharing in een gemiddelde Europese stad nog als een ‘beginnersbaardje’ geldt, maar die in het peloton wordt beschouwd als een holbewoner uit een tijd dat je de epo nog per telegram moest bestellen. Paolini demarreerde uit een kopgroep vol Vlamingen en Hollanders en Welshmen, jongens voor wie het weer van zondag dagelijkse kost zou moeten zijn, maar wier vermogen tot logisch nadenken waarschijnlijk hun vermoeide hoofden uitgeblazen was.
Wuyts begon maar weer te dichten: ‘Ondanks die baard, helemaal alleen, op die grote plaat, gejaagd door de wind, op z’n uppie.’
Niet ver van de finish reed Niki Terpstra lek. Dat kon er ook nog wel bij.
‘Lek. Aiaiaiaiaiaiaiai.’
Wuyts kon er geen genoeg van krijgen: ‘Voor mijn part gaan we door tot zeven uur.’ Maar voor zijn kompaan was het mooi geweest: ‘Nee, het is mooi, het is genoeg geweest. We kunnen niet meer aan.’
Luca Paolini won en Renaat Schotte brak nog een laatste keer in, met een melding uit 1929: ‘Dit is de meest fantastische Gent-Wevelgem ooit.’
Wij – de wielerliefhebbers, de toevallige kijkers, de vriendin, de wereld, ik – konden dat alleen maar be-
Amen.