Tiesj Benoot, vijftien bomen verschil en een koers van oef

Met de wederopstanding van de beschilderde eieren in aantocht informeerde ik voorzichtig bij de vriendin hoe erg zij het zou vinden als wij het Urbi noch het Orbi samen zouden doorbrengen.
Haar gezicht klaarde op.
“Een dagje helemaal voor mezelf?” Er zat iets in haar stem dat ik niet thuis wilde brengen. “Nee hoor, niet erg. Doe maar lekker waar je zin in hebt.”
Waar ik zin in had, was zo horizontaal als fysiek mogelijk op de roodlederen bank van mijn ouders plaatsnemen en De Boel De Boel te laten.
Toevallig was de Ronde van Vlaanderen op. Wat een mazzel.

De Ronde van Vlaanderen is de mooiste koers van het jaar voor mensen die de Ronde van Vlaanderen de mooiste koers van het jaar vinden. De schoonheid zit hem niet per se in het wedstrijdverloop, maar met de sacrale ernst waarmee de zaak door wielerliefhebbers en Vlamingen – dat is min of meer hetzelfde: iedere wielerliefhebber is in diepste wezen een Vlaming en iedere Vlaming is verplicht wielerliefhebber, dat staat daar in de wet – wordt beschouwd. Een paar Pasens geleden was ik in Utrecht op een bijeenkomst van ongeveer honderd als immense Hollanders geboren Vlamingen die in een gloeiend hete concertzaal geïmponeerd mompelend naar een scherm loerden waarop het technisch brein achter wielerblog Het is Koers de Ronde van Vlaanderen projecteerde.
Ik was gevraagd om voorafgaand aan de live-uitzending enige opzwepende verhalen over lang overleden wielrenners voor te lezen – wat niet helemaal lukte, vooral omdat achter mij de wedstrijd te zien was. De grenzen van het engelengeduld van de immer opgewekte wielersupporter werden die zondag in Utrecht opnieuw verkend en per alinea verlegd.
(Later, toen ik vertrokken was om de wedstrijd in stille afzondering verder te kijken, schijnt het daar in die concertzaal nog helemaal uit de hand te zijn gelopen. Nadat een wielerrookie had voorgesteld om even in de zon te gaan staan omdat er de komende anderhalf uur toch niks leek te zullen gebeuren, wierpen zeker drie mensen hem een woedende blik toe. Hooliganisme, het blijft een groot maatschappelijk probleem).

Een koers van oef
Ook zondag scheen na een maand of drie eindelijk weer eens de zon. Geen groot talent voor timing, de zon, nooit gehad ook.
“Dit wordt een koers van oef,” zei co-commentator José de Cauwer, op de toon van de verpleegster die tijdens de eerste echo “Ik zie drie hoofdjes!” roept.
Het werd een vreemde wedstrijd, vooral omdat er de eerste drie uur bar weinig te beleven viel. Godzijdank was er een chauffeur van een Shimano-volgauto die begreep dat het onmogelijk nog lang kon duren alvorens er marathonkijkers van pure verveling het loodje zouden leggen. Hij reed eerst een renner van de kopgroep zo het ziekenhuis in en toen de opgewonden echo daarover weer vrijwel was weggestorven in de put van saaiheid die zelfs de anekdotes van José de Cauwer niet leken te kunnen dempen, ramde hij ook nog even een andere volgwagen, een ploegleidersauto die ter verhoging van de feestvreugde ook nog even tegen een renner met pech beukte, die op zijn beurt niet flauw wilde zijn en zichzelf met fiets en al het trottoir op liet lanceren.
Daarna zakte er ook nog bijna een lek luchtkasteel op het peloton.
Niet veel later zonk ik weg in wat een woordhumorist met een off day een pazeslaapje zou noemen. In de verte hoorde ik de commentatoren discussieren of Zdeněk Štybar nu wel of geen tand miste.
Een Twitterfoto bood uitkomst.
De tand ontbrak.
Ergens in een Vlaamse akker moest een snijtand liggen die toebehoorde aan de voormalig wereldkampioen veldrijden. Of droomde ik dat?
Ik werd wakker van een sms van mijn vriendin, die een foto van zichzelf in de zon op ons balkon stuurde. Ze droeg een van mijn wielerpetjes en las een fijn boek.
“Geniet ervan vandaag,” stond er. Ja, dank je de koekoek.

Uiteindelijk loste De Ronde een deel van de verwachtingen alsnog in, in de laatste rechte lijn van de zonnige zondag: Greg Van Avermaet verwarde wielrennen voor de zoveelste keer met hardfietsen, kwam zes elektriciteitspalen, vijftien bomen en een pakketje inzicht tekort en werd derde; in mij welt langzaam het vermoeden dat hij het expres doet, omdat hij winnen ordinair vindt. Niki Terpstra reed als vanouds link als een looien deur, een strategie die in de koers over het algemeen op veel bijval kan rekenen, maar die dit keer de losertactiek bleek, omdat Kristoff, de sterkste, ook daadwerkelijk eerste werd. De sterkste die wint; dat is een uitkomst van een middag op de bank liggen die bij de ware koersmaniak over het algemeen voor weinig enthousiasme zorgt. De ware cyclomaan kickt op pech, die ziet de sterkste man het liefst in het zicht van de haven aangevallen worden door een bijziende slechtvalk of getroffen worden door een andere vorm van onverteerbaar onrecht. Als grote coureurs koersliefhebbers waren, won de sterkste nooit, maar zou-ie kort voor de streep de sloot in rijden. Helaas zijn wielrenners topsporters en wint eens in de zoveel tijd onherroepelijk de sterkste. Dat is spijtig, maar er is niets aan te doen; als we het zouden omdraaien – als koersliefhebbers zouden gaan koersen en coureurs op de bank gingen liggen – keek er niemand meer naar de Ronde van Vlaanderen.

Tiesj
Tussen al die gerechtigheid bevond zich toch nog een lichtpuntje: Tiesj Benoot. Een jongen met de oren van Briek Schotte en een naam als een West-Vlaamse specialitei, iets als rundertestikels in donker bier. 21 jaar, student Toegepaste Economie aan de Universiteit van Gent, maar bovenal student Flandrienistiek aan de Universiteit van Karl Vannieuwkerke. Hij werd vijfde bij zijn eerste deelname, ver voor ieder jaar tegenvallende keienkoppers als Vanmarcke en Roelandts en geheel tegen de gangbare regels in dat debutanten eerst drie jaar bevangen door de immensiteit van het spektakel uit koers moeten stappen. Maar Tiesj Benoot kwam rechtstreeks uit de collegebanken, die wist dat allemaal niet. Tiesj Benoot reed daarna gewoon langs de kruidenier, voor drie kratten pils en twee broden. Thuis wachtten vijftien huisgenoten op hem, het was zijn beurt om boodschappen te doen. Hij vertelde dat hij vijfde geworden was in de Ronde van Vlaanderen en het mooie meisje aan de overkant van de gang vroeg of hij dan ook een medaille had, zoals haar broer, die vroeger gejudood had.
Daarna studeerde Tiesj op zijn kamer nog even op Keynes en Friedman en Krugman en hoe al die toepasbare economen ook allemaal mogen heten, deed nog een paar rondjes drankspel mee en ging ten slotte met de hele verdieping kebab halen.
Een paar honderd kilometer, op de roodlederen bank van mijn ouders, bedacht ik een woord voor hoe de vriendin een dag eerder geklonken had. Ik moest er aan denken omdat ik me Tiesj voorstelde, in een Gents shoarmahol, en hoe hij in stilte van zijn uitputting genoot.

Opgetogen, dat was het.
’s Avonds belde mijn vriendin.
“Heb je genoten?” vroeg ik.
“Jazeker,” zei ze – ze klonk nog steeds als Tiesj Benoot – “maar ik mis je wel, hoor. En jij? Hoe was de Ronde van Vlamingen?”
Nog een laatste keer dacht ik aan Tiesj Benoot, en zei: “Geweldig.”

Iedere maandag schrijft Frank Heinen voor HP/De Tijd een sportcolumn.