Hoeveel kost ons koningshuis? Een financiële geschiedenis

Jaarlijks zijn we vele tientallen miljoenen kwijt aan ons Koninklijk Huis. Daarnaast bezitten onze royals nog allerlei roerende en onroerende goederen. Hoe komen ze daar eigenlijk aan? In onze koningsspecial doken wij in de financiële geschiedenis van de Oranjes.

Stel, je bent de topman van een organisatie met zo’n 17 miljoen man (m/v). Laat je je dan afschepen met een fooi van 823.000 euro per jaar? Oké, je partner krijgt ook nog wat (326.000 euro), en in arren moede kun je eventueel bij je moeder aankloppen als tegen het eind van de maand de huishoudpot leeg raakt. Want een afgetreden vorstin krijgt toch nog 465.000 euro per jaar. En ze hoeft daar niets voor te doen, hoewel ons aller Beatrix haar dagen soms nog altijd met maatschappelijk nuttige dingen vult. De bedragen hierboven, betaald door het ministerie van Algemene Zaken, vormen in de begroting van het Koninklijk Huis de zogenaamde A-component. Dat doet vermoeden dat er ook een B-component is – en wie weet wat nog meer. En die is er ook, maar daarover later.

Het bedrag dat onze koning krijgt is gerelateerd aan het salaris van de vicepresident van de Raad van State. Die verdient natuurlijk minder; de koning is op papier zijn baas. Hoeveel minder is bij wet geregeld, voor de vicevoorzitter maar ook voor bijvoorbeeld de president van de Algemene Rekenkamer en de Nationale Ombudsman. Hun salarissen werden in 2008 door Beatrix vastgesteld op 10.325,56 euro per maand.

Dat zal sindsdien een beetje opwaarts bijgesteld zijn, maar het wettelijk gegeven dat de koning de vicepresident ‘volgt’ is daarmee wel een beetje een lachertje. De koning verdient zeven keer zo veel, en betaalt daar ook nog eens geen belasting over. Dat ‘volgen’ houdt dan ook alleen verband met de salarisontwikkeling van ambtenaren. Wordt voor hen de nullijn gehanteerd, dan krijgt ook Willem-Alexander er niets bij.

Dat maakt het interessant om eens naar de B-component te kijken, want daar gaat het pas hard. Die B-component dekt de zogeheten personele en materiële uitgaven. Ook daar geldt het ‘volgen’ van de ambtenaren, zij het voor 50 procent van de bedragen, ruwweg alleen het personele deel.

Als B-component heeft Willem-Alexander recht op 4.495.000 per jaar, Máxima op 911.000 en Beatrix op 1.430.000. Kijk, dat schiet lekker op: een totale kostensom van 7.659.000 euro per jaar voor het koningspaar en hun (schoon)moeder. Daar hebben we dan drie functionarissen voor die, in elk geval op dit moment, goed scoren bij het volk en een navenante merkwaarde hebben ontwikkeld. Daarmee hebben we een aanloopje genomen naar het toch best forse bedrag dat alle met het Koninklijk Huis samenhangende kosten omvat. Dat komt neer op – houd u vast – 40.085.000 euro. Daarnaast circuleren bedragen in de orde van grootte van 60 tot 80 miljoen voor beveiliging, onderhoud van paleizen en gebouwen et cetera, maar die bedragen zijn hoogst speculatief.

Koddige beelden
Natuurlijk zijn er altijd weer Kamerleden van overwegend linkse partijen die vermoeden dat het stiekem nog veel meer is, maar er is serieus werk gemaakt van het optellen van kosten die op begrotingen rusten van andere ministeries. Die zijn allemaal meegenomen. Zoals de post ‘Uitgaven voor luchtvoertuigen’ – wij noemen dat vliegtuigen en helikopters, maar wij zijn dan ook de man in de straat (m/v). Om een beetje rond te kunnen vliegen, zijn onze Oranjes jaarlijks €893.000 kwijt. Het regeringsvliegtuig met registratienummer PH-KBX maakt daarvan €423.675 uit, de helikopters doen €134.150, en af en toe wordt er ook met het gewone volk meegevlogen. Dat heet dan een civiel vliegtuig, en daar gaat jaarlijks €335.000 aan op.

Om eens in de zoveel tijd bezoeken aan het Caribische deel van het koninkrijk te kunnen afleggen, wordt jaarlijks €80.000 uitgetrokken. Dat is het dubbel en dwars waard, want het levert elke keer weer koddige beelden van door-en-door trouwe fans aldaar op, terwijl de Oranje-dames moeite doen om hun hoedjes, haar en opwaaiende zomerjurkjes in het gareel te houden. En dan hebben we ook nog het plezierjacht de Groene Draeck, dat elk jaar opnieuw zo’n halve ton kost.

Wie denkt dat de economisch zware tijden volledig aan ons staatshoofd voorbijgaan, heeft het mis. Want er wordt in 2015 zomaar een ton bespaard op het Militaire Huis, waarvan menigeen het bestaan niet eens vermoedde. Maar het wordt nadrukkelijk vermeld in de begroting, opdat het volk zich realiseert dat ook de koning weet dat het in het land niet allemaal even makkelijk gaat.

Huis en familie
Op dit moment bestaat ons Koninklijk Huis uit tien personen. Daarvan maken ook de hulptroepen van Beatrix deel uit – prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven – en die van Willem-Alexander en Máxima – prinses Laurentien en prins Constantijn.
Hoe die hulp financieel geregeld is, wordt niet helemaal duidelijk, maar aangenomen mag worden dat ze, als ze aan- en optreden, bijdragen krijgen uit de grote pot.

Het Koninklijk Huis is overigens slechts een onderdeel van de koninklijke familie, die zo groot is dat je al snel de tel kwijtraakt, met al die kinderen van de prinsen en prinsessen. Dat zijn er inmiddels tegen de zestig.

Straatarm
Naar het vermogen van de Oranjes kan alleen maar worden gegist; het is een van de best bewaarde geheimen van ons land. Maar één ding weten we zeker: toen Willem Frederik ruim twee eeuwen geleden, in 1813, vanuit een vissersbootje voet aan land zette in Scheveningen, was hij straatarm. Na zijn vlucht naar Engeland in 1795 was hij zelfs zijn wijnvoorraad aan Napoleon kwijtgeraakt.

Een jaar na zijn terugkeer, feitelijk als marionet van de Engelsen, kreeg hij met hun toestemming een jaarinkomen van 2,4 miljoen gulden, waarvan een kwart uitkeerbaar in landerijen. Dat ging lekker: zijn salaris bedroeg maar liefst 5 procent van de Rijksbegroting. Willem I, zoals hij zich inmiddels mocht noemen, moest daarvan dan wel veel meer zelf betalen dan onze tegenwoordige vorst, maar omgerekend zou hij nu ruim dertig miljoen hebben gevangen, terwijl de complete begroting van het Koninklijk Huis nu ‘slechts’ ruim veertig miljoen bedraagt. We houden het er maar op dat de burgers destijds een koning meer op waarde wisten te schatten dan wij nu.

Na zijn dood in 1843 liet Willem I zijn erfgenamen tientallen miljoenen na, alsmede kroondomeinen en paleizen. Intussen was het land echter bankroet en bedroeg de staatsschuld 228 procent van het bruto nationaal product. Daar komt nu zelfs Griekenland niet aan. (Heersers die zoiets vandaag de dag nog flikken, zijn doorgaans dictators die op zeker moment de benen nemen en hun vergaarde vermogen bijtijds in tal van fiscale vluchthavens hebben ondergebracht.)

Sinds Willem I is de aangroei van het vermogen van de Oranjes steeds diffuser geworden, maar de tientallen miljoenen van zo’n 200 jaar geleden zouden zelfs bij een prudent beleggingsbeleid nu in de miljarden moeten kunnen lopen. Het liep echter anders.

Uitverkoop
Willem II, een van de drie kinderen die ieder met ruim 10 miljoen gulden begonnen, joeg zijn fortuin er in rap tempo doorheen en had bij zijn dood (in 1849) alleen maar schulden. Willem III daarentegen liet in 1890 zijn dochter Wilhelmina – de oma van Beatrix – 5,5 gulden na, plus nog wat andere bezittingen, zoals onroerend goed.

Wilhelmina op haar beurt was op het moment van haar vlucht naar Engeland, in 1941, goed voor zo’n 16 miljoen gulden, volgens geschiedsschrijver Lou de Jong. Zij stond dan ook te boek als een obsessieve vrek. Een buitengewoon lepe transactie van haar was de verkoop van kroondomein Het Loo in 1959. Het werd wel eigendom van de staat, maar de economische exploitatie bleef voor de Oranjes. En als we de monarchie ooit afschaffen, krijgen ze alles weer terug, voor niks.

In 1966 nam de Tweede Kamer een wetsvoorstel aan om de bijdrage aan het koningshuis fors te verhogen. Alle verhalen over miljarden of honderden miljoenen waren sprookjes, zo werd er gezegd. Er moest nodig geld bij. In de Rijksbegroting van 1967 staat vermeld dat de uitgaven voor het ‘Huis der Koningin’ in 1908 bijna 1 miljoen gulden hadden bedragen, in 1962 vier miljoen en dat het nu werd opgetrokken naar 7 miljoen gulden. Koningin Juliana spekte, net als haar moeder, de kas verder door onroerend goed van de hand te doen. In 1970 verkocht ze Paleis Soestdijk aan ons allen – voor 4.288.000 gulden, en vervolgens Paleis Lange Voorhout voor 4,4 miljoen gulden aan de gemeente Den Haag. In welke uitgangspositie dat Beatrix bracht is niet bekend.

Royal Dutch
Hebben de Oranjes nog wel wat onroerend goed over? Zeker, een hele trits domeinen, die bij elkaar tussen de 300 en 400 hectare groot zijn. Een daarvan is landgoed de Horsten, waar het koninklijk gezin op dit moment woont. Ook zijn er zo’n zes verhuurde woonhuizen, waarvan we mogen aannemen dat ze niet bepaald premie A zijn.

In Nederland bezit de familie verder nog Drakensteyn, de huidige woning van prinses Beatrix, en wat aardige panden aan het Noordeinde in Den Haag. Er zijn vakantie-optrekjes in Italië en Griekenland. En zodra de dochters in Leiden gaan studeren, wordt er waarschijnlijk weer iets gekocht aan het Rapenburg in die stad; zo gaat het immers al generaties lang.

Maar de hamvraag blijft natuurlijk: wat staat er op de bank, wat zit er in aandelen? Daarover weten we zo goed als niets, behalve het almaar aanhoudende gerucht dat de Oranjes een flink belang hebben in Royal Dutch, zoals Shell op de beurs heet./

Hans van Brussel