Waarom ergeren we ons toch zo graag?

Behalve een manier om contact te onderhouden met vrienden en kennissen zijn sociale media immense broeinesten van ergernis. Het komt niet zelden voor dat ik mensen aan hun kraag uit de kleine vierkante schermafbeeldingen wil sleuren om ze met vuurspugende ogen door elkaar te rammelen. “Waarom?! NEE! Waarom zeg je dit?! Stop ermee!”

Vaak speelt dit zich af in de comment-secties van kranten, ja, kwaliteitskranten zelfs, waar ik me zo nu en dan begeef. Een verlichtend effect heeft het nog nooit op me gehad, maar ik blijf er terugkeren. Omdat ik me erbij heb neergelegd dat er meer mensen niet dan wel voor rede vatbaar zijn, reageer ik zelf nooit. Waarom zoek ik, en velen met mij, dan toch bewust die ergernis op?

Drukken op een blauwe plek
Het zijn lang niet altijd volslagen vreemden. Zo heb ik een oud-klasgenootje dat elke gelegenheid aangrijpt om met een getuit mondje op de foto te gaan. Een etentje, een diploma, een nieuwe broek, een crematie. Maar klik ik op ‘unfriend’ of ‘hide’? Integendeel. Het is als slikken om te voelen dat je keelpijn hebt of op een blauwe plek drukken. Je weet dat het prettiger voelt om het niet te doen, maar de verleiding is te groot. Alsof je wil testen dat je ergernissensoren hun werk nog doen.

Een goede vriend met een vreselijke afkeer van Patty Brard las laatst een dik boek over haar leven in één ruk uit. En ik vond het oprecht jammer dat mijn favoriete slecht geschreven modeblog een eindredacteur in dienst nam. De Engelse term voor dit fenomeen is hate-reading, maar laten we het op haatlezen houden. Bijna iedereen die ik het vroeg heeft een lijstje favoriete ergerlijke socialmediagebruikers, die domme of gemene dingen zeggen of teveel over zichzelf praten.

Tattoos en hipsters
Er is niets dat sneller viral gaat dan een irritante column. Neem bijvoorbeeld de Volkskrant-column van Renée Braams waarin ze stelde dat je jezelf buitenspel zet door tatoeages te nemen. Of recenter de gastcolumn van Natascha van Weezel over hipsters, een onschuldige observatie die tot ergernis van velen, mezelf incluis, vijf jaar te laat kwam. Ik kan niet in de statistieken van de Volkskrant kijken, maar iets zegt mij dat deze stukken alle records hebben gebroken.

En dan hebben we nog televisieprogramma’s, of correcter: de omlijsting van reclames. Omdat zelfs mijn ergernis grenzen kent, kijk ik bijna nooit tv. Alleen De Wereld Draait Door wil ik nog weleens aanzetten tijdens het eten. “MATTHIIJJJJHIIIJJJSS!” roep ik als hij weer eens iemand afkapt die voor DWDD-begrippen te lang van stof is. Maar een dag later zit ik er vaak weer, zelfde tijd, zelfde plaats, bordje op schoot. Net als ik bedenk hoe ik deze avond kan gaan besteden aan slimme, bijzondere en gedenkwaardige dingen zie ik dat Peter R. de Vries weer iets komt duiden. Ik rol met mijn ogen en zucht een keer. Dat kan ik natuurlijk niet aan me voorbij laten gaan.