Hoe we ons lichaam proberen te bewapenen tegen hiv, ebola en kanker

Wetenschappers ontwikkelen steeds meer methodes die ons immuunsysteem helpen om de lastigste medische problemen van onze tijd grotendeels op eigen houtje op te lossen.

Ze worden in sommige kringen om schimmige redenen hartstochtelijk verafschuwd, maar eigenlijk zijn vaccins een bijzonder elegante en zelfs tamelijk natuurlijke manier om onszelf te beschermen. In tegenstelling tot medicijnen, doorgaans kleine synthetische moleculen die diep in onze weefsels doordringen om daar woekerende ziektekiemen te dwarsbomen of zieke cellen weer gezond te maken, geven vaccins gewoon ons eigen immuunsysteem een zetje, zodat dit vervolgens op eigen kracht kan afrekenen met ongewenste indringers.

Dat doen ze door ons lichaam bloot te stellen aan herkenbare fragmenten van bepaalde ziektekiemen, die door ons immuunsysteem herkend worden en inspiratie bieden voor de vorming van witte bloedcellen van het type B die zich dat fragment – het zogenaamde antigeen – ‘herinneren’ en voortaan meteen antilichamen kunnen aanmaken als een soortgelijk organisme zijn kans waagt. Ziekten waartegen we ons kunnen inenten worden dan ook al snel aanzienlijk minder zorgwekkend, maar de grootste plagen van onze tijd laten zich vooralsnog niet in een vaccin vangen.

Moeilijk na te bootsen
Soms komt dat gewoon omdat ze nieuw zijn, of omdat eerdere uitbraken beperkt bleven of vanzelf weer weg gingen, zoals in het geval van ebola. Nogal wat waarnemers zijn erg kritisch voor het feit dat de veiligheid van talloze bestaande kandidaatvaccins niet al eerder getest werd. Maar vorige week woensdag lieten wetenschappers van in Nature weten dat een verbeterde versie van het Vesiculovax-vaccin, die mogelijk minder neveneffecten veroorzaakt dan het vaccin dat momenteel getest wordt, alvast Java-apen volledig beschermt tegen de Makona-variant van het virus die in West-Afrika de ronde doet.

Ook van het hiv-front is er goed nieuws, aldus Nature. Een hiv-vaccin lijkt nog steeds veraf, omdat het virus zo snel verandert dat zelfs een gewaarschuwd immuunsysteem op achtervolgen aangewezen is. Uit de studie van het bloed van hiv-patiënten die al enkele jaren seropositief zijn blijkt bovendien dat de B-cellen na hun eerste contact met het veranderende virus nog sterk diversifiëren, een proces dat met een vaccin moeilijk na te bootsen valt. Maar de afgelopen jaren bleek wel dat sommige door de B-cellen geproduceerde ‘antilichamen’ het virus in het lab kunnen verslaan. Misschien kunnen we de vaccinatiestap dus overslaan, en gewoon antilichamen injecteren.

Na enkele veelbelovende experimenten met muizen en apen blijkt nu dat het antilichaam 3BNC117, dat tijdens een recente test 195 van de 237 HIV-1-varianten klein kreeg, ook door mensen bij wie het werd ingeënt goed verdragen wordt. Daarbij deed één injectie de hoeveelheid HIV-1 in hun bloed al aanzienlijk dalen. Eerdere tests met muizen suggereren bovendien dat combinaties van antilichamen mogelijk nog efficiënter zullen zijn. Bovendien zouden die het voor het virus veel moeilijker maken om door genetische verandering resistent te worden.

Als deze vermoedelijk duurdere behandeling alle klinische tests doorstaat biedt ze mogelijk een aantal belangrijke voordelen in vergelijking met de huidige cocktails van antiretrovirale medicijnen. Want omdat de antilichamen niet gewoon de voortplanting van de virussen verhinderen, maar ook hun eliminatie door witte bloedcellen bespoedigen, hebben ze vermoedelijk een duurzamer effect, zeker omdat ze ook langer in het lichaam aanwezig blijven. Bovendien kan er rechtstreeks aan de structuur van antilichamen gesleuteld worden om hun effectiviteit nog verder te verbeteren.

Immuuntherapie
Tegelijkertijd wordt in het lab van Nobelprijswinnaar David Baltimore een techniek ontwikkeld om in het dna van onze eigen cellen een gen te introduceren dat codeert voor een antilichaam tegen hiv, dat zich aan het virus bindt zodat het geblokkeerd en afgebroken wordt. Het genetisch wijzigen van onze eigen cellen ligt erg gevoelig en zal vast nog niet meteen mainstream worden, maar bij muizen zijn de resultaten veelbelovend, dus het is niet uitgesloten dat dit ooit doorbreekt.

Opmerkelijk is dat ons immuunsysteem niet alleen microbiële indringers aanpakt. Ook in de strijd tegen kanker, oncontroleerbaar delende lichaamscellen, zette de zogenaamde ‘immuuntherapie’ de afgelopen jaren aanzienlijke stappen vooruit. Er wordt geëxperimenteerd met antilichamen die de aandacht van onze witte bloedcellen op de tumor vestigen, maar ook met antilichamen tegen lichaamseigen stoffen die ons afweersysteem doorgaans in toom houden, om de respons aan te zwengelen. Ook werden opmerkelijke successen geboekt met uit tumorweefsel verwijderde afweercellen, die in het lab vermenigvuldigd en bewerkt werden en vervolgens weer ingespoten.

De les in al deze gevallen, onderstrepen wetenschappers, is dat dergelijke behandelingen pas mogelijk werden na vele jaren van nauwgezette studie van de spontane werking van onze lichamen, eerder dan het koortsachtig ontwikkelen van de zoveelste farmaceutische variant op hetzelfde oude thema. Het immuunsysteem is notoir ingewikkeld, en de grote farmabedrijven aarzelden aanvankelijk om in deze aanpak te investeren. Maar de toenemende technische mogelijkheden om moleculaire structuren te doorgronden en ontwerpen zou samen met de groeiende fundamentele kennis van onze eigen afweer weleens voor een revolutie in de gezondsheidszorg kunnen zorgen.