Record Store Day: herinneringen van een geflopte platenverkoper

Zaterdag 18 april is het Record Store Day, een jaarlijks terugkerend festijn ter ere van de platenwinkel. Een dag vol bijzondere optredens en eenmalige uitgaven en hoe dan ook uniek; bij mijn weten hebben witgoedhandelaren, lampenverkopers en bloemisten geen eigen dag.

Zelf heb ik sinds de uitvinding van streaming geen platenwinkel meer bezocht. In kwaliteitsverlies geloof ik niet; een beetje muziekliefhebber heeft op mijn leeftijd voldoende gehoorschade opgelopen om het verschil tussen fris krakend vinyl en een brakke mp3 niet meer te kunnen waarnemen.

Toch heeft de platenzaak op veel mensen nog altijd een magische aantrekkingskracht. Daar kan ik ook wel weer inkomen. Met je blote handen in een platenbak graaien geeft een volstrekt andere sensatie dan met je wijsvinger over je mousepad aaien en een minuscuul plaatje in de linkeronderhoek van je scherm kan de impact van 325 bij 325 millimeter nooit evenaren.

Oud grijs
In een oud grijs verleden heb ik een tijdje in een platenwinkel gewerkt. We waren gespecialiseerd in klassiek, jazz en Groningse dialectmuziek. Met ‘we’ bedoel ik: de rest van het personeel. Johann Sebastian Bach, Miles Davis en Ede Staal kende ik nog net, maar Jean Sibelius, Chet Baker en Wia Buze konden wat mij betreft net zo goed Formule 1-coureurs of oorlogsmisdadigers zijn. Vandaar dat klanten altijd beteuterd de winkel verlieten als ik hun aangeknoopte gesprekje over Sjostakovitsj of Gerry Mulligan – gezellig, als muziekkenners onder elkaar – beantwoordde door mijn gezicht in de vorm van een vraagteken te trekken.

Ik haalde mijn pleziertjes uit het pesten van klanten. Een vaste grap op het repertoire betrof W.A. Mozart. De eigenaar van de winkel had het dermate belangrijk gevonden om alle werken van Mozart bij elkaar te zetten dat ze het alfabet ervoor geweld aandeed. Na vader Leopold ging het verder met Modest Mussorgsky; Wolfgang stond om het hoekje. Vooral bij oudere Mozart-liefhebbers leidde dit tot verwarring. Nadat ze enige tijd verdwaasd in de verte hadden gestaard, stamelden ze met een zekere schaamte dat ze hun favoriete componist niet konden vinden. “Mozart?” zei ik dan, op een toon alsof het een inheemse geslachtsziekte betrof, “dat hebben we niet, hoor. Dat koopt tegenwoordig niemand meer.”

Nog leuker waren de André Rieu-fans. Die betraden trots de winkel, in de veronderstelling dat ze behoorden tot het gilde der klassieke-muziekliefhebbers. Met genoegen denk ik terug aan die ontgoochelde blikken als ik ze streng naar de pop-afdeling verwees. “Dat is geen klassiek,” riep ik ze na. Daarna, in mezelf, maar net te hard, “en het is ook geen muziek.”

Ontslagen
Na twee jaar werd ik ontslagen wegens gebrek aan kennis, wat opmerkelijk was; ik wist inmiddels precies wat het verschil was tussen de Matthäus-Passion in de uitvoering van Ton Koopman en die van Gustav Leonhardt (een kwartier) en had aan een flard liedtekst genoeg om te weten welk nummer op Radio Noord gedraaid was (‘Mien Toentje’, iedereen wilde altijd ‘Mien Toentje’).

Laat ik het goedmaken met een tip. De wereldberoemde Bonnie ‘Prince’ Billy brengt een split 7-inch uit met de Zeeuwse dialectzanger Broeder Dieleman, waarop ze elkaars muziek coveren. Ik heb het resultaat gehoord en het is werkelijk beeldschoon. Exclusief en in gelimiteerde oplage op Record Store Day te koop. En als je het niet kunt vinden, gewoon even vragen. Het is behulpzaam volk, die platenverkopers.