Met Memphis Depay op de Bemelerberg

Het sportweekend was tot de nok toe gevuld voor Memphis Depay. Op zaterdagavond werd hij kampioen met PSV, op zondagochtend zat hij al in een auto op weg naar Zuid-Limburg.
Ik zat naast hem. Uit zijn poriën kwam de zoete walm van mixdrankjes. Memphis keek naar buiten, waar het landschap almaar zuidelijker werd, wreef gedachteloos over de veelbetekenende tattoos op z’n onderarm en zweeg. Op zijn hoofd stond een zwart petje.

Nog geen tien uur geleden had ik Joep Schreuder op het veld van een uitgestorven Philips Stadion zien staan. Om hem heen lag confetti. Joep liet de ene speler na de andere zijn persoonlijke middencirkelrevue passeren: Georginio Wijnaldum, die rochelde als een oude zeebonk en wiens oma Francina op de tribune had gezeten. Joep: “Met een mooie hoed op. Godsamme, leuk man!” Daarna Jeroen Zoet, die zijn petje achterstevoren droeg en “Ik mis alles nou, godverdomme” zei en daarna schichtig in de camera keek. En Andres Guardado, PSV’s beste speler, die twee turven lager bleek dan Joep. Of hij wist wat hem te wachten stond, vroeg Joep.

Los noches a Brabant soy muy lungo, muy largo, intensa.”
Het klonk als een dreigement.
Tot slot kwam Memphis Depay, Eindhovens eigen eenmans-One Direction. Hij stond te snikken, de schaal in de hand waarmee hij binnen nu en een paar maanden zijn handtekening onder een miljoenendeal in Manchester gaat zetten (gokje).
Met een van tranen verstikte stem herhaalde hij steeds weer: “Ik ben hiero gebleven, ik ben hiero gebleven.” De vrolijkheid moest de kijker er zelf bij denken.

Nederlandse topwedstrijd
En nu zaten we zomaar in een auto, op weg naar de Cauberg. De afspraak stond al maanden, Memphis had vermoed dat hij op deze dag al weken kampioen zou zijn.
Hij belde me in februari al. Of hij eens een wielerwedstrijd van dichtbij kon zien.
Maar natuurlijk.
“Met die fietsen.”
“Ja. Jaja.”
En of ik dan kaartjes kon regelen.
Het duurde even voor hij wilde geloven dat je voor wielerwedstrijden geen kaartjes nodig hebt. Toen hij het eenmaal door had, zei hij: “Doe er dan maar twee. Voor een Nederlandse topwedstrijd of zo.”
Daar roerde de linksbuiten met het rechterbeen een pijnlijk punt aan. Nederland heeft natuurlijk wel een topwielerwedstrijd, een klassieker nog wel, maar het bevreemdende van de Amstel Gold Race is dat er met het jaar minder belangstelling voor lijkt. De wedstrijd, verreden in een van de mooiste gebieden van Europa (dat zeg ik niet, dat zegt Michel Wuyts), sleept zich ieder jaar een beetje slomer naar de laatste beklimming van de Cauberg. Er demarreert weleens iemand, maar de overtuiging dat er iets van zin in zo’n aanval schuilt, ontbreekt. (Wielrennen is natuurlijk in zijn geheel niet zo zinvol, dat heeft het gemeen met het leven).

Het spreekwoord zegt: de hoop sterft het laatst. Nou, wie de interviews met de deelnemers aan de Amstel Gold Race 2015 beluisterde, wist: die hoop was overleden, gecremeerd en uitgestrooid over de Sibbergrubbe. Wat er toch in de bouwers van wielerparkoersen is gevaren dat ze hun wedstrijd tot de laatste centimeter met hindernissen volproppen, tot ieder leven uit de wedstrijd geperst is? José de Cauwer mag het weten.
Nou ja, wist Memphis Depay veel. Die wilde gewoon een Nederlandse topwielerwedstrijd zien, en een Nederlandse topwielerwedstrijd zou hij krijgen.

We parkeerden de auto in de buurt van Cadier en Keer en wandelden in de richting van de Bemelerberg. Memphis Depay speelde met zijn telefoon.
Het was een eind lopen. Af en toe werden we herkend; soms ik, soms Memphis. Mensen knikten ons toe, een oudere man in een Carrera-outfitje tikte tegen zijn wielerpetje.
Een supporter van Bram Tankink riep: “Kampioenen!”
De zon scheen, de klaprozen bloeiden in de berm en in het veld gingen wielerfans hun pakjes drinken met plastic rietjes te lijf en werden Sultana’s verdeeld.
“Waar is de harde kern?” vroeg Memphis Depay.
“Dit is de harde kern,” antwoordde ik.
Hij knikte en keek op zijn telefoon, toonde me een foto van de platte kar waar hij later die middag nog op moest.
“Zin in?” vroeg ik.
“Hashtag,” zei Memphis Depay. “En nu?”
“Wachten.”
“Hoe lang?”
“Uurtje of twee.”
Memphis Depay ging in een akker liggen. Hij trok een grasspriet uit de grond en kauwde erop. Het petje zakte verder over zijn ogen en zijn ademhaling werd steeds regelmatiger. Ik maakte hem wakker toen de kopgroep langskwam.
Memphis Depay ging op de weg staan, applaudisseerde, riep “Hophophop!” en weg waren ze weer.
Zes minuten later volgde het peloton.
Daarna trad de landelijkheid weer in.
“Wat vond je?” vroeg ik.
“Echt hard,” zei Memphis Depay. “En nu?”
“Wachten.”
“Hoe lang?”
“Uurtje of twee.”
Memphis Depay doodde de tijd met het uitdelen van handtekeningen aan voorbijgangers.
“Wie is dat?” vroeg een vrouw met een Cancellara-tattoo op haar onderrug toen ze een velletje met Memphis’ krabbel in haar handen gedrukt kreeg.
“Voetballer,” zei haar echtgenoot, die het kapsel van Pantani combineerde met de buik van Hilaire Van der Schueren.

Heerlijke wedstrijd
Na twee uur kwam het peloton voor de tweede en laatste keer voorbij. Het ging ietsje harder dan eerst.
“Mooi man,” zei Memphis Depay. Hij straalde en maakte een selfie met een groepje gelosten. “Maar nu moeten we gaan. Ik moet naar de platte kar.”
Op de weg van Cadier en Keer naar Eindhoven viel Memphis Depay in slaap. Voor een wedstrijd van niks was het een heerlijke wedstrijd geweest.