Cristiano Ronaldo viert Koningsnacht

De dagen, de weken, de maanden… Ze strompelden voorbij en ik hoorde maar niets. Eerst, in januari, liet ik de balkondeuren nog weleens openstaan, in de hoop dat het ongenode gezelschap zijn weg wel zou vinden en op een dag vanzelf de slaapkamer zou komen binnenwaaien. Later, toen bleek dat voornamelijk vuistgrote insecten zichzelf uitnodigden, sloten we de deur weer. Af en toe werd er nog aangebeld, maar dat bleek altijd iemand te zijn die we hadden verwacht. Soms, heel soms was het de postbode, met een postorderpakje voor een van onze buren. Tot ook de postbodes uit ons voordeurleven werden wegbezuinigd en de batterijen van de voordeurbel leegliepen zonder dat we er erg in hadden. De lente kwam, en met de lente kwam de eenzaamheid.

Zij ging nog gewoon iedere ochtend naar haar werk, naar een kantoor in een andere stad waar ze hun eigen problemen hadden; de afwezigheid van een wereldster hoorde daar voor zover ik wist niet bij.
Op een gegeven moment stopte ik met extra inkopen doen. Geen pakken koekjes meer die onaangegeten in de container verdwenen, het topsportfruit dat zij en ik allebei niet lustten, maar waar ik hem een groot plezier had kunnen doen, ging vol beurse plekken de huis-, balkon- en keukenprullenbak in. Zo rond het kampioenschap van PSV stopte ik ook met het aanschaffen van Nespressocupjes bij de Bijenkorf.
De Hema had een eigen merk, dat was ook binnen te houden. En bezoek kregen we toch niet meer.
In elk geval niet DAT bezoek.

Een hoogwerker
Op zondagavond zaten we thuis, zij en ik.
Het was nog licht, maar zo voelde het niet.
Zij las een boek, en ik deed iets anders. Buiten zwol al een tijdje een zorgwekkend geroezemoes en luidruchtig gehannes aan, alsof er op het plein een enorme ballon van lawaai werd opgeblazen, het soort ballon dat maar een enkel prikje nodig heeft om te ontploffen en een etmaal overlast te veroorzaken.
Dat gebeurde zo rond een uur acht.
“Ik hoop maar dat ze hier een vergunning voor hebben,” mompelde zij.
“Anders gaan ze een zware pijp roken,” mompelde ik strijdlustig terug.
Er begon een bandje te spelen, mensen begonnen te juichen alsof dit bandje precies dat was wat er in hun leven altijd aan ontbroken had.
“Mensen hebben het fijn,” constateerde ik.
“Kijk eens wat er aan de hand is,” beval ze.
Langzaam richtte ik mij op van de bank en keek uit het raam. Daar, nauwelijks drie meter onder onze idylle van Dvorak en Grunberg en Groningen-Feyenoord, liepen honderden, nee, duizenden mensen in oranje schouder aan schouder door onze straat. Ik zag een man met een oranje piekhaarpruik, een man met een opblaaskroon, een vrouw met een Loekie de Leeuw-pruik en zes volwassenen met reuzenwuppies op het hoofd.
Ik zakte weer op de bank.
“Nou,” vroeg ze.
Koningsdag, geloof ik.”
Tom Egbers kondigde de volgende wedstrijd aan, Grunberg begon aan een nieuw hoofdstuk en buiten viel iets zwaars op de grond. Een oranje hilariteit steeg op uit onze anders zo deprimerende straat.
“Zo klinkt nationale cohesie,” stelde zij vast.
Er werd gebeld.
“Niet opendoen,” zei ze. Dronken gekken.”
Weer die bel.
“Ze stoppen vanzelf.”
Ja.”
“Zet jij even thee?”
Ik vroeg: “Waarom doen wij eigenlijk niet gezellig mee? Is dat niet kinderachtig?”
Ze zweeg.
“Ligt het aan mij?” vroeg ik. “Ben ik kinderachtig?”
“Groen met munt, graag.”
“Niemand heeft mij ooit kinderachtig genoemd,” zei ik, terwijl het kartonnetje van het theezaktouwtje losliet en het zakje en touwtje naar de bodem van de mok zonken. “Je bent de eerste.”
Weer die bel.
“Is het soms ook kinderachtig dat ik dit kinderachtig vind,” vroeg ik. “Dan is het zeker ook kinderachtig dat ik het kinderachtig vind om dat dan kinderachtig te vinden.” Aan de nationale cohesie mocht dan druk gewerkt worden, op microniveau was er nog werk aan.
Met de thee trad de stilte weer in, maar de zondagavondse vredigheid was ervan af. Steeds weer beluisterden we de oprispingen van vrolijkheid en opwinding, duidelijk afkomstig van een menigte landgenoten op weg naar een vrijmarkt.
Opeens vermengde de vrolijkheid zich met opgewonden geroep. “Hoooo,” riepen mensen, “hooooo!” Daarna het paniekerige gepiep van een truck die achteruit rijdt.
“Wat doen ze nou weer?” vroeg ik – ik klonk als de mevrouw die Pippi Langkous naar het kindertehuis probeert te krijgen.
“Ze gaan vast bungeejumpen,” zei zij en viste het zakje uit haar thee. “Ter ere van Alexander en Máxima.”
Nog meer geroep. “Mag dit zomaar?” vroeg ik.
“Het is feest,” gaapte ze, “mensen hebben het fijn.”
Het volgende moment werd er op het raam geklopt.
“Er klopt iemand op het raam,” zei ik.
“Het is feest, laat die mensen toch.”
“We wonen één-hoog.”
Buiten, aan de andere kant van ons raam, stond een man op een hoogwerker. Een man met een oranje opblaaskroon op en een luchtdruktoeter in zijn hand. Hij lachte, en zwaaide.
Plots voelde ik de nationale cohesie door mijn lijf stromen, een monarchistisch toverdrankje. “Het is Cristiano Ronaldo!” riep ik en zwaaide terug.
“Och God,” zei zij.

Een bolderkar
Later die avond liepen we met z’n drieën over de singels en hapten om beurten van een Turkse pizza met Alles Erop.
“Feest,” stelde Cristiano Ronaldo om de paar meter vast. Hij droeg een soort oranje pilotenuniform en had een oranje bril zonder glazen op.
Zij wilde naar huis, naar haar boek, maar dat mocht niet van ons: het was feest.
We scharrelden langs de kleedjes vol aanlokkelijk uitgestalde troep. Cristiano Ronaldo kocht alle VHS-banden van Police Academy en ik een toetsenbord.
“Niks mis met kinderachtigheid,” zei ik tegen mijn vriendin, terwijl ik een vioolspelend kind een tientje toestopte.
Cristiano Ronaldo keek naar het hoofd van Eddie Murphy op zijn aankoop en giechelde.
Toen we de hele Vrijmarkt hadden afgegraasd, kocht Cristiano Ronaldo een bolderkar.
Voor zijn zoontje, beweerde hij, maar hij ging er zelf in zitten.
Zo trokken we de Wereldvoetballer van het Jaar door de nacht.
Steeds als we halt hielden, hief Cristiano Ronaldo het Wilhelmus aan.