Recensie: de nieuwste Proust-vertaling is scherper, directer, alledaagser

Hoe bepaal je of een vertaling goed is? Kun je überhaupt iets zinnigs zeggen over de kwaliteit van een vertaling, als je de oorspronkelijke taal niet volledig beheerst?

Mijn Frans is niet vloeiend. Laat staan vloeiend genoeg om Proust in het Frans te lezen zonder constant naar een woordenboek of een strip paracetamol te grijpen. Maar: ik heb meerdere Nederlandse vertalingen van Proust gelezen, van drie verschillende vertalers. Thérèse Cornips, C.N. Lijsen, en nu Martin de Haans en Rokus Hofstedes Swanns kant op, de nieuwe vertaling van Du côté de chez Swann, het eerste deel van Op zoek naar de verloren tijd. Je hoeft geen kenner van het Frans of van Proust te zijn om de grote verschillen tussen de vertalingen op te merken. Steeds zie je de hand van de vertaler.

Haperende zinnen
Bij C.N. Lijsen is die hand wat schokkerig. Lijsen vertaalde onder meer twee delen van In de schaduw van de bloeiende meisjes. Die delen zijn verbluffend, nog steeds, maar Lijsens vertaling lijkt niet enorm soepel – de zinnen haperen, in plaats van te vloeien, ze zijn wat troebeler, en vaak ronduit onduidelijk.

Je merkt meteen een verschil met de vertalingen van Thérèse Cornips: daarin zijn de zinnen nog steeds lang, meanderend, gecompliceerd. Maar: helder. Weg is de houterige, haperende vertelstijl. Cornips’ vertaling is een kleine verademing, vergeleken bij die van Lijsen.

Fris en scherp
De nieuwe vertaling, van De Haan en Hofstede, is frisser dan die van Cornips. Scherper, meer to the point, minder zwierig. Daar zien we al iets van terug in de vertaling van de beroemde eerste zin – ‘Longtemps, je me suis couché de bonne heure.’ Cornips vertaalt dit als: ‘Lang ben ik bijtijds gaan slapen.’ De Haan en Hofstede als: ‘Er is een tijd geweest dat ik vroeg naar bed ging.’

Cornips’ versie is iets dichterlijker, ritmischer, maar ook archaïscher. Die van De Haan en Hofstede is spannender, maakt je nieuwsgieriger – wat is er dan met de ik-persoon gebeurd, sinds die tijd? Waarom is die tijd dan definitief voorbij? In welke tijd bevinden we ons nu?

Voor iemand als ik, die niet de precieze nuances van de oorspronkelijke taal kan vatten, is het lastig om te beoordelen welke vertaling dichter bij het origineel blijft (ik neig voorzichtig naar De Haan en Hofstede – dat archaïsche is, voor zover ik dat kan aanvoelen, minder sterk aanwezig in Prousts origineel).

Twee ijzersterke vertalingen
Een ander voorbeeld, iets verderop. Cornips’ vertaling. De verteller beschrijft nog steeds zijn ervaringen vlak na het wakker worden, als hij gedroomd heeft van een vrouw die hij kent, en die hij nu meteen wil zien: ‘als wie op reis gaan om met eigen ogen de stad van hun verlangen te aanschouwen, en zich verbeelden dat men in een werkelijkheid de charme van mijmeringen kan ondergaan.’

proustDe Haan en Hofstede maken ervan: ‘als iemand die op reis gaat om met eigen ogen de stad van zijn dromen te zien en zich inbeeldt dat je in een werkelijkheid de betovering van de fantasie kunt terugvinden.’

In beide versies blijft het een prachtige vergelijking. De Haan en Hofstede zijn weer scherper, directer, alledaagser: ‘iemand’ in plaats van ‘men’, ‘zien’ in plaats van ‘aanschouwen’. Cornips’ ‘de stad van hun verlangen’ is misschien romantischer dan ‘de stad van zijn dromen.’

De verschillen zullen voor een groot deel voortkomen uit de persoonlijke smaak van de vertalers. Of beter gezegd, uit hun verschillende visies of stijlen, zoals De Haan en Hofstede in hun nawoord benadrukken. Wie graag een iets zwieriger, archaïscher Proust leest, kan misschien het beste voor Cornips kiezen. Wie een voorkeur heeft voor een frissere, scherpere, strakkere stijl, is beter thuis bij De Haan en Hofstede. Maar uiteraard kunnen de vertalingen goed naast elkaar bestaan, en hoeft niemand een definitieve keuze te maken. Als de nieuwe vertaling één ding duidelijk maakt, is het wel dat we ons gelukkig mogen prijzen met twee ijzersterke vertalingen van Prousts meesterwerk.