Mijn werelduurrecord

Met twee kennersogen die prikten alsof ze te enthousiast aan de zon waren blootgesteld, keek ik gisteravond naar de werelduurrecordpoging van Bradley Wiggins. Ik weet vrij veel van werelduurrecords, omdat ik ze zelf dus regelmatig fiets. Zaterdag nog.
Voor mijn pogingen kies ik meestal een Utrechtse vestiging van de Fit4Free, een in alle opzichten goedkope sportschool waar mannen in reusachtige spiegels het rollen van hun biceps in de gaten houden en meisjes de calorieënmeter op de crosstrainer. Tussen de oefeningen door loeren ze naar elkaar. Op werkende douches, hygiëne en rust na voldoet de Fit4Free aan alle eisen van de renner-met-een-missie.
Het is misschien aardig om u mee te nemen op zo’n dag waarop een sporter het uiterste uit zichzelf moet halen.

Aanloop
Op dagen van een uurrecordpoging blijf ik zo lang als mogelijk in bed liggen. De vriendin, die de dagen voordien al in een andere ruimte heeft geslapen om de kans op afleiding en ziekte zo klein mogelijk te maken, brengt mij om 09:30 een shake met vier geklutste eieren en een beetje frambozensiroop. Dat mengsel drink ik in een teug op, waarna ik nog tenminste een uur rechtop in bed blijf zitten om de spijsvertering z’n werk te laten doen.
Gedurende dit uur doe ik niets. Ik lig in bed, kijk naar de gesloten gordijnen, strijk over mijn benen en zeg een paar keer tegen mezelf: ‘Wij kunnen het.’
Wanneer ik voel dat ik er klaar voor ben om het bed te verlaten, roep ik de vriendin, die pantoffels aan mijn voeten schuift en mij ondersteunt bij het opstaan. Daarna schuifelen wij samen in de richting van de woonkamer, waar ze mij op de bank legt en de poef onder mijn benen rolt. Daar begint het volgende deel van de voorbereiding: het fietsen in het hoofd. Tien minuten lang visualiseer ik in volledige stilte de prestatie die ik later die dag zal gaan leveren, zie mijzelf als in marmer gehouwen op een hometrainer zitten en de virtuele kilometers onder me wegduwen. Na die tien minuten grom ik drie keer, zeg ‘OEWAA’ en begin aan het bord pannenkoeken die de vriendin op mijn schoot heeft gezet. Eten is een niet te onderschatten onderdeel van iedere voorbereiding.
(Belangrijk detail: tijdens de gehele aanloop naar het Uur wordt niet gesproken. Niet door de vriendin, niet door mijzelf, niet door de masseuses die zich enkele uren voor de poging in stilte aan de deur melden en zwijgend de gespierde stronken tussen middel en voeten kneden en niet door de mensen op straat beneden, die met behulp van waarschuwingsborden verzocht worden ergens anders geluid te gaan maken).
Liggend in een bakfiets, door kussens ondersteund en onder een berg warme dekens, word ik door mijn vriendin vervolgens naar de sportschool vervoerd. Daar tillen twee beren van de afdeling krachttraining mij naar een aparte kleedkamer, waar op het moment van binnenkomen al het zachte geklots van de zee dolby surround te horen moet zijn. Vervolgens laat ik mij omkleden: ik draag bij voorkeur nauwsluitende tijdritpakken met quotes uit mijn eigen werk.
Daar, in die kleedkamer, word ik vervolgens het record. Dat klinkt nu misschien abstract, maar dat valt mee: zodra ik uit de ruimte tevoorschijn kom (ik loop dan zelf!), denken de overige sporters ‘Goh, daar heb je het werelduurrecord’. Je moet het zien om het te begrijpen.

Het juiste verzet
Vlak voor het moment van de poging is aangebroken, gaan alle sporters even om de uitverkoren hometrainer staan. Daar bidden zij gezamenlijk tot Graeme O’Bree, (Sch)od van het uurrecord. En dan, door een erehaag van bezweet polyester, kom ik aan.
Het wordt stil in de sportschool, het apparaat dat de liezen traint piept niet meer. Zelfs de virtuele spinninginstructeur zwijgt.
De jongen die voor mij de hometrainer in kwestie heeft ingefietst, maakt zich uit de voeten en ik neem plaats. Trek de riempjes aan, stel het juiste verzet in.
De vriendin stelt zich naast me op, met een handdoek en een assortiment koude dranken.
Zodra ik begin te trappen, barst het gejuich los.