Recensie: de nieuwe Jonathan Franzen

U was niet erg onder de indruk van de voorhoede van Barcelona, dit seizoen? En u vond de collectie van het Rijksmuseum ook een beetje tegenvallen? Misschien is het dan een goed idee om de laatste editie van The New Yorker even over te slaan. U heeft al genoeg teleurstellingen moeten verwerken – waarom zou u ook nog een tientje neerleggen voor een blad met nieuwe verhalen van amateurs als Jonathan Safran Foer, Zadie Smith, Primo Levi en Jonathan Franzen? Inderdaad: hadden die New Yorkers nou echt niet wat beters bij elkaar kunnen verzamelen?

Serieus, nu. De Summer Fiction-editie van The New Yorker is een bewaarnummer. Hoogtepunt: ‘The Republic of Bad Taste’, het nieuwe verhaal van Jonathan Franzen. Een paar jaar was het stil rondom Franzen, in elk geval op fictiegebied. Heel af en toe publiceerde hij een essay, en er was nog wel die door hem geannoteerde bloemlezing van Karl Kraus – je vroeg je al gauw af of Franzens vele lange voetnoten nou aantekeningen waren bij Kraus’ teksten, of andersom. Hoe dan ook: sinds Freedom (2010) geen fictie meer.

Realistisch en krankzinnig
De eerste gedachte na de eerste paar alinea’s van ‘The Republic of Bad Taste’ is: hij flikt het ‘m weer. Die gedachte wordt meteen gevolgd door een bewonderende grijns. Franzen schrijft wéér iets wat totaal anders is dan al zijn vorige werk, én dan al het werk van alle andere schrijvers. En weer is het ijzersterk, gedurfd en net niet over the top – realistisch en krankzinnig tegelijkertijd.

Het verhaal speelt in Oost-Duitsland, een paar jaar voor de val van de muur. Hoofdpersoon Andreas Wolf, 27, komt uit een vooraanstaand gezin, zijn vader is ondersecretaris. Andreas zelf woont in de kelder van een kerk. Daar geeft hij raad aan randfiguren die nog treuriger en overbodiger zijn dan hij. Veel van de verwarde meisjes – de net-meerderjarigen – helpt hij door met ze naar bed te gaan: ‘He rendered a valuable service to the state, coaxing antisocial elements back into the fold, and was paid for his service in teen pussy.’

Bizar liefdesverhaal
Die woorden ‘teen pussy’ die plotseling opduiken in een verder nogal ambtelijke, sociologische zin, is typisch Franzen. Onverwachte slang, dat de hoogdravende en cerebrale passages in één klap ironiseert en draaglijk maakt.

Andreas’ seriële geneuk begint hem steeds minder te bevallen – en dan komt hij het perfecte, maar natuurlijk ook hopeloos verkeerde meisje tegen. Wat volgt is een bizar liefdesverhaal, vol plotwendingen, sensatie en introspectie, vol levendige details en idiote gedachtekronkels. Origineel, aangrijpend, en soms hilarisch.

Misschien wel de meest verheugende zin in deze New Yorker staat op pagina vier, bij het lijstje met de ‘Contributors.’ Na Franzens naam volgt de nuchtere mededeling: ‘‘Purity,’ his fifth novel, comes out in September.’

Dat die zomer maar heel snel voorbij mag gaan.