Recensie: Taxi Teheran, de Iraanse samenleving ontleed vanuit een auto (****)

Het lijkt alsof er vanuit het Westen de laatste tijd met andere ogen naar Iran wordt gekeken. Voorheen bestond het beeld van een land waarin louter geloofsfanatici woonden, maar inmiddels kennen we de nuances – onder meer door de gisteravond met een Nipkowschijf bekroonde tv-serie Onze man in Teheran, waarin Iran-correspondent Thomas Erdbrink korte metten maakte met de vooroordelen over het land. Maar gaat het met de positie van Iraanse filmmakers ook de goede kant op? De nieuwste film van Jafar Panahi, één van de meest gerespecteerde regisseurs van Iran, bewijst helaas het tegendeel.

Jafar Panahi werd in 2010 door de Iraanse politie gearresteerd. De reden: zijn ‘opruiende’ films. Een vreemde tenlastelegging, want het werk van Panahi kenmerkt zich juist door een persoonlijke invalshoek en de humanistische benadering. Al schuwt hij sociale kwesties niet. In 2006 maakte hij Offside, over een groep meisjes die zich verkleden als jongens en een voetbalwedstrijd bezoeken, iets wat voor vrouwen in Iran verboden is. Een politiek pamflet worden zijn films echter nooit. Na zijn arrestatie volgde een veroordeling tot zes jaar cel. Daarnaast mocht hij twintig jaar geen films meer maken.

Maar de wil om via het witte doek zijn verhalen te blijven vertellen, was sterk. En dat maakt Panahi bijzonder creatief. Hij weet zijn opnames Iran uit te smokkelen, zodat zijn films toch de grote filmfestivals bereiken. Zo won zijn nieuwe film Taxi Teheran begin dit jaar een Gouden Beer voor Beste film op het filmfestival van Berlijn. Waar Panahi de afgelopen jaren zijn illegale films stiekem nog bij hem thuis opnam, is hij voor zijn nieuwste project letterlijk de deur uitgegaan. Als taxichauffeur welteverstaan. En als een Iraanse Joris Linssen ontvangt hij een aantal zeer uiteenlopende mensen in zijn auto. Aan boord is een camera gemonteerd die alle gesprekken in het geheim opneemt.

De vergelijking met het ooit populaire NCRV-programma Taxi is niet helemaal terecht. Dat concept was simpel vergeleken bij Taxi Teheran. Allereerst lopen bij Panahi feit en fictie flink door elkaar. Taxi Teheran oogt als een documentaire, waarin de regisseur als zichzelf heeft plaatsgenomen achter het stuur. Maar gaandeweg blijkt de film wel degelijk fictie te bevatten, door voorbedachte dialogen en geënsceneerde momenten.

Tijdens zijn tocht door Teheran krijgt Panahi een gevarieerd gezelschap in zijn auto: twee oude vrouwtjes met een vissenkom stevig in de armen geklemd, een jong meisje – Panahi’s nichtje, die tevens de Gouden Beer namens hem in ontvangst nam – dat bezig is met een filmproject, en een vrouw die haar gewonde man naar het ziekenhuis begeleidt. Maar ook zijn we getuige van een heftige discussie tussen een liberale gesluierde vrouw en een zeer conservatieve, modern ogende man. De scène is een goed voorbeeld van de wijze waarop Panahi afrekent met culturele stereotypen. De bezoekjes leveren een reeks aan prachtige momenten op, zowel komisch als tragisch. Zo legt het nichtje van Panahi duidelijk uit wat je vooral niet moet doen als filmmaker. “Niet zwartkijken”, zegt ze. Het tekent het optimisme van de filmmaker, haast tegen de klippen op.

De gesprekken gaan ook dikwijls over film. Een dvd-handelaar slijt zijn nieuwste handel en in een aantal gesprekken worden filmfavorieten genoemd. Maar de grimmigheid van Panahi’s situatie wordt niet achterwege gelaten. “Als filmmaker weet je dat je film hier onverteerbaar is”, zegt een van de inzittenden. En er wordt verwezen naar Panahi’s eerdere films. Maar naarmate de film vordert, wordt de toon grimmiger, met verhalen over heftige ondervragingen die door de politie met camera’s gefilmd werden. Een wrange verwijzing naar Panahi’s eigen passie.

Het ontroerende einde waarin de geheime politie ineens in beeld komt, is mooi en meedogenloos. Is dit een optimistische laatste noot, of juist een pessimistische? Duidelijk is dat Jafar Panahi door zal blijven gaan met films maken. En zolang dit zulke bijzondere films als Taxi Teheran oplevert, verdient deze Iraanse filmmaker alle steun uit het Westen. De jury van het Filmfestival Berlijn omschreef de film als ‘een liefdesverklaring aan de cinema en Panahi’s land’. Daar kun je aan toevoegen dat het ook ons beeld van Iran nuanceert, zonder dat de enorme misstanden uit het oog worden verloren. Maar het gebruik van film als middel om tegelijkertijd aan de werkelijkheid te kunnen ontsnappen èn er wat over te kunnen zeggen, dat beheerst Jafar Panahi verbluffend goed.

Eindoordeel:
film4