Lage bonussen jagen weinig bankiers over de grens

Hoge bonussen zijn in het bankierswezen een noodzaak om het talent binnenboord te houden. Zonder stevige beloningspakketten loopt het talent weg als een opstandige puberdochter. Zo luidt het standaardargument voor het uitkeren van bonussen. In de praktijk blijkt dat wel mee te vallen. Volgens een onderzoek onder bankiers door Michael Page blijkt dat bij een verdere verlaging van de bonussen in Nederland slechts 16 procent van deze beroepsgroep een overstap naar het buitenland overweegt. En dit is enkel de groep die het overweegt. Opstandige partners, cultuurproblemen en andere obstakels zijn niet inbegrepen.

Daarentegen zegt bijna een kwart van de bankiers hun carrière binnen Nederland in een andere sector te willen voortzetten indien de bonussen verder verlaagd worden. Maar liefst zes op de tien bankiers blijft bij lagere bonussen zijn huidige werkgever trouw. Voor de goede orde. Slechts 36 procent van de Nederlandse bankiers ontving afgelopen jaar een bonus en bij slechts 10 procent was deze hoger dan 25.000 euro. Vanaf 1 januari 2016 worden bonussen gemaximeerd op 20 procent van het jaarsalaris. Zelfs bij een verdere verlaging lijkt de gevreesde vlucht naar het buitenland mee te vallen. Sterker nog, ongeveer een kwart van de ondervraagden maakt zich zorgen over het voortbestaan van de eigen baan. Afhankelijkheid creëert loyaliteit. Want de hoeveelheid banen in de financiële sector is in de afgelopen jaren afgenomen, onder meer dankzij de crisis en voortschrijdende digitalisering.

De groep die voor een hogere bonus naar het buitenland wil krijgt daarmee in ieder geval geen baanzekerheid. De Amerikaanse antropologe Karen Ho onderzocht, ver voor de laatste crisis, de (belonings)cultuur bij zakenbanken op Wall Street. Eén van haar vele conclusies in haar boek Liquidated is dat de loyaliteit van bankiers richting de werkgever marginaal is en vice versa. De hoge beloningen zijn niet alleen een compensatie voor de (vermeende) exceptionele talenten van de bankiers, maar ook voor de hoge baanonzekerheid die zij ondervinden. Iedere werkdag kan letterlijk de laatste zijn. Een enkele zakenbank hanteert zelfs het beleid om elk jaar de slechtst presterende paar procent van zijn werknemersbestand eruit te gooien. De algemeen aanvaarde wijsheid in de bankierswereld luidt volgens Ho dat deze cultuur bijdraagt aan efficiëntie en kostenbesparingen. De antropologe, die zelf bij een zakenbank werkte, meent echter dat deze cultuur leidt tot waardevernietiging en een grotere instabiliteit van het financiële systeem. Bovendien kapen de goedbetalende zakenbanken de grote talenten van topuniversiteiten weg. Talenten die volgens Ho mogelijk nuttiger ingezet kunnen worden in andere sectoren.

Amerikaanse zakenbankiers die vrijwel allemaal van de topuniversiteiten komen zijn natuurlijk andere koek dan de ruimere groep van Nederlandse bankiers die door Michael Page zijn geënquêteerd. Maar de optimist kan toch enigszins gerustgesteld zijn door de honkvastheid van de Nederlandse bankier. En als de Amerikaanse toptalenten al geen garantie voor succes zijn, dan is het maar de vraag of het talent van de 16 procent bonusjagers die een vertrek uit Nederland overweegt een aderlating zou zijn.