Hoe nazi-propaganda Duitsers voor het leven tekende

Antisemitische propaganda had een levenslange effect op Duitse kinderen die tijdens de nazi-periode naar school gingen. Dat blijkt althans uit een onlangs gepubliceerd onderzoek, met als conclusie dat deze mensen veel vaker negatieve opvattingen over bijvoorbeeld joden hebben dan mensen die buiten de nazi-periode onderwijs genoten. De bevindingen wijzen erop dat pogingen om de publieke opinie te beïnvloeden het meest effectief zijn wanneer ze gericht worden op jongeren, met name als het bericht bevestigd wordt door bestaande overtuigingen, aldus de auteurs.

Onderzoekers uit de Verenigde Staten en Zwitserland onderzochten enquêtes uit 1996 en 2006 waarin respondenten werden bevraagd over diverse onderwerpen, met inbegrip van hun mening ten aanzien van joden. De peilingen weerspiegelen de standpunten van 5.300 Duitsers uit 264 dorpen en steden door heel Duitsland. Door te focussen op de respondenten die in de vragenlijst consequent negatieve opvattingen over joden ventileerden, ontdekten de onderzoekers dat degenen die geboren zijn in de jaren dertig er de meest extreme anti-semitische opvattingen op na houden – zelfs vijftig jaar na het einde van het nazi-bewind.

Volgens Hans-Joachim Voth van de Universiteit van Zürich, een van de auteurs van de studie, is het niet alleen opmerkelijk dat het scholingssysteem van de nazi’s werkte – de menselijke geest werd makkelijk beïnvloed door een totalitair regime tijdens de vormende jaren. ”Het opvallende is dat het ook daarna niet meer weggaat”, aldus Voth.

Duidelijke verschillen waren ook te zien tussen respondenten die afkomstig zijn uit gebieden waar antisemitisme al aan de orde van de dag was vóórdat de nazi’s aan de macht kwamen, en respondenten buiten deze regio’s. De onderzoekers vergeleken het historische stemgedrag stemgedrag in Duitsland vanaf 1890, en zagen dat de respondenten die het meest negatief tegenover joden stonden veelal afkomstig waren uit regio’s waar antisemitische partijen al lange tijd sterk vertegenwoordigd waren. Volgens Voth betekent dit dat de mate waarin de nazi-ideologie zich via onderwijs liet overbrengen sterk afhing van de mate waarin de omgeving al antisemitisch was. Voth: “Het toont aan dat indoctrinatie kan werken, zelfs verbluffend lang, maar de manier waarop het werkt is afhankelijk van de mate waarin het overeekomt met hetgeen mensen al geloven.”

Volgens Benjamin Ortmeyer van het Nazi-onderwijs onderzoekscentrum van de Universiteit van Frankfurt is het belang van propaganda nooit echt onderzocht. “Vergeleken met de wrede daden van nazi-massamoordenaars is dit onderdeel (het hersenspoelen – red.) van de misdaden in onderzoeksmatige zin genegeeerd”, zegt Ortmeyer. Desalniettemin noemt hij de uitkomsten van het onderzoek ‘absoluut plausibel’.

Een belangrijke reden van het uitblijven van eerder onderzoek naar dit onderwerp, is volgens Ortmeyer dat oudere Duitsers met moeite praten over hun ervaringen in de nazi-periode. Terwijl de Joden die de Holocaust overleefden veel informatie prijsgaven over het misbruik door medeleerlingen waar ze slachtoffer van werden in hun schooljaren, beschrijven niet-joodse Duitsers hun schooljaren vooral als rustig en plezierig.

Ortmeyer stelt dat de Nazi’s hun antisemitische propaganda verwerkten in ieder schoolvak en iedere buitenschoolse activiteit. ”Ze gaven leerlingen zelfs speciale projecten, waarbij ze de kerkregisters screenden op namen van onlangs tot het Christendom bekeerde joodse families”. Die werden later gebruikt bij het opstellen van de deportatielijsten naar concentratiekampen, waardoor enkele scholieren onwetend medeplichtig aan de Holocaust werden.

De studie merkt ook op dat Duitsers geboren in de twintiger jaren er slechts mondjesmaat meer antisemitische standpunten op na houden dan zij die werden geboren in de jaren veertig – hoewel een deel van de oudere groep tijdens de nazi-jaren naar school ging, en van de jongere groep niemand. De auteurs suggereren dat mensen met extreme standpunten de oorlog waarschijnlijk niet hebben overleefd, maar slachtoffer zijn geworden van hun eigen enthousiasme voor de nazi-ideologie.

Voth: “We kunnen het niet bewijzen, maar het lijkt waarschijnlijk – op basis van de patronen in de gegevens – dat deze groep niet tot de dienstplicht werd geroepen, maar tegen het einde van de oorlog vrijwillig toetradt tot de Waffen SS. En daar viel een ontzettend hoog aantal slachtoffers.”