De boekenkast van sportauteur Michel van Egmond

Bij tijd en wijle zoekt HP/De Tijd bekende scribenten op om een kijkje te nemen in hun boekenkast. Deze week: Michel van Egmond, bekend van zijn biografieën Gijp en KIEFT, voor de laatstgenoemde won hij vorige week de Nico Scheepmakersprijs.

Stel, er breekt thuis brand uit en u kunt maar één boek uit uw kast redden, naar welk boek grijpt u dan?
‘Dan twijfel ik tussen KIEFT,, mijn eigen boek, omdat daar een persoonlijke opdracht van Wim in staat die ik koester, en tussen Spel om de Bal, van Desmond Morris, omdat ik dat boek ooit van mijn moeder heb gekregen en het mijn jeugd heeft gedomineerd. Ik was tussen mijn tiende en mijn zeventiende geobsedeerd door voetbal en dit was mijn bijbel. Pas een tijdje geleden kwam ik erachter dat het boek mijn kijk op voetbal en de manier waarop ik er de laatste jaren over schrijf erg heeft beïnvloed.
‘In de Nederlandse versie van Spel om de Bal, waren stukjes van Nico Scheepmaker toegevoegd. Die blijken achteraf van grote invloed op me te zijn geweest, zonder dat ik me natuurlijk met hem zou durven vergelijken. Hij was de grootmeester van de originele invalshoek en liet zien dat je ook luchtig over sport kon schrijven. Het is het boek van mijn jeugd, en bovendien een cadeau van mijn moeder, dus ik neem Spel om de Bal, mee. Dan gaat KIEFT, maar in de fik, het is niet anders.’

Wat was het eerste boek dat veel indruk op u maakte?
Oorlogswinter, van Jan Terlouw. Geen idee hoe oud ik was toen ik het las. Maar ik herinner me nog wel dat dit de eerste keer was dat ik werkelijk was opgezogen door een boek. Ik was bijna verbaasd over de kracht van een boek. Dat letters op papier zoiets konden veroorzaken… Oorlogswinter was volgens mij het eerste boek waarbij ik heel duidelijk voelde dat een boek je in een soort droomtoestand kan helpen.’

Zit er een bepaalde rangschikking in uw kast: heeft u bijvoorbeeld alles netjes alfabetisch op achternaam van de auteur weggezet, of op onderwerp, of kleur misschien?
‘Ik ben helaas niet zo netjes. Was het maar waar. Mijn indeling is vrij grof. De sport staat links. Voetbal bij voetbal, wielrennen bij wielrennen, dat wel. Alle edities van Hard Gras staan ook keurig op een rij en als ik van een auteur meer dan één boek heb, zoals bijvoorbeeld van de door mij zeer bewonderde Simon Kuper of Marcel van Roosmalen, dan staan die meestal wel dicht bij elkaar. Rechts staan de romans en de non-fictie boeken om ongeveer gelijke wijze gerangschikt. De krijgertjes en de boeken waar ik me voor schaam staan onderin de kast, kris kras door elkaar. Meer systeem heb ik niet.’

Gooit u weleens boeken weg?
‘Zelden of nooit. Hooguit wanneer ik het Boekenweekgeschenk een keer of vijf heb.’

Ziet u een ‘rode draad’ in uw kast?
‘Nauwelijks, of het moet een lichte fascinatie voor de excentriekeling zijn. Bij de sport staan boeken over Gascoigne, George Best, Garrincha, Luigi Meroni, Sonny Liston, Brian Clough, dat soort mensen. Bij de algemene non-fictie staan boeken van Joseph Mitchell en Joris van Casteren, die eenzelfde fascinatie hebben, en van Hunter S. Thompson en Jules Deelder, die zelf excentriekelingen zijn.’

Is uw leessmaak in de loop van de tijd veranderd?
‘Ja. Hoe meer ik over sport schrijf, des te minder lees ik er over. Dat is wel vreemd. Ik heb daar geen verklaring voor. En ik wil er ook niet te lang bij stil staan.’

Gijp en Kieft zijn bestsellers over twee ex-topsporters met een bijzonder leven. Het leven van Kieft zou je misschien wel tragisch kunnen noemen. Vindt u het tragische leven interessant?
‘Ja, kennelijk, want ik word daar altijd weer naartoe getrokken. Ik doe dat niet bewust, maar mijn interesse gaat er naar uit. Mijn eerste boekje, Nooit Meer Juichen uit 1999, ging daar ook al over: sporters met veel talent die desondanks nooit helemaal slaagden. Ik vind dat interessanter dan een boek te schrijven waarin het beeld dat het grote publiek van de topsporter heeft nog maar eens wordt bevestigd. De grote voetballers worden door hun sponsors, door hun clubs en door een deel van de pers gepresenteerd als een soort supermannen. Ik vind het interessant om te laten zien dat er ook nog een ander kant bestaat.’

Zou u ook een boek over een succesvol sporter kunnen schrijven die een vlekkeloos en onberispelijk leven heeft gehad?
‘Het zou kunnen. Maar dan zou het wel meer moeten zijn dan alleen een opsomming van de behaalde successen. Wat dat betreft ben ik het eens met het motto van Martin Bril: succes is een saai verhaal.’

Staat er een boek in uw kast waarvan u zegt: dát had ik willen schrijven.
De Coolsingel bleef Leeg van Hugo Borst. Omdat het geweldig goed gedaan is. Ik was in die periode, halverwege de jaren negentig, vergelijkbaar goed ingevoerd bij Feyenoord als Hugo, maar niemand had dit project beter kunnen uitvoeren dan hij. Misschien komt het door zijn werk voor televisie, waar de meeste mensen een etiket krijgen opgeplakt dat niet bij ze past, maar ik vind dat de schrijver Hugo Borst wordt ondergewaardeerd in Nederland. Dat bleek maar weer bij zijn laatste boek, over Louis van Gaal. Zuinige stukjes in Nederland, maar in Engeland maakte Roddy Doyle een diepe buiging. En hij was niet de enige. Dan weet ik genoeg.’

U bent sportjournalist en lezer. Sporters staan nu niet bepaald bekend om hun belezenheid. Of is dat een vooroordeel?
‘Wim Kieft las weleens een boek. Gérard de Nooijer. Jean Paul van Gastel ook. Ach, er zijn er vast nog veel meer. Maar ik vind dit een beetje een onzinnige vraag. Ik vind het namelijk niet zo gek dat sporters tijdens hun loopbaan weinig lezen. In KIEFT staat daar ook een passage over. Hij verbaast zich er dan over dat mensen niet begrijpen dat je een avond voor de Europa Cup 1 finale dusdanig onder hoogspanning staat, dat je niet eens in staat bent een berichtje in de krant te lezen, laat staan een boek. Dat je al je concentratie nodig hebt om op het veld te presteren. Ik snap dat wel.’

U schrijft vooral over mannen in de sport (Gijp, Kieft, Topshow). Stel u moet een boek schrijven over een sportvrouw, wie zou dat worden en waarom?
‘Dat zeg ik niet, want misschien doe ik dat nog weleens en ik wil andere mensen niet op een idee brengen.’

In Topshow, uw meest recente boek over uw tijd als eindredacteur bij het tv-programma VI, zeiken de personages elkaar bijna continu af, begon u dat niet te vervelen?
‘Ja, dat begon me inderdaad te vervelen. Dat was ook een van de redenen om er mee te stoppen na het WK. Dat valt ook te lezen in het boek.’

Waarom wilde u Topshow schrijven?
‘Omdat het me leuk leek om dat met Jan Hillenius, mijn medeauteur, te doen. Omdat het te mooi materiaal was om het niet te doen. Omdat we zo vaak vragen kregen over de gang van zaken achter de schermen, dat we vermoedden dat er interesse voor zou kunnen zijn. Dat bleek gelukkig ook het geval.’

Wat is volgens u het beste sportboek dat ooit is geschreven?
‘Het beste vind ik een heel moeilijke term. Garrincha, het boek van Ruy Castro, komt aardig in de buurt. De research achter de boek is geweldig. Hij brengt heel veel nieuwe feiten rond een man die was opgebouwd uit fabels. Heel knap. Maar The Dutch Windmill, van Jules Deelder, vind ik ook een geweldig sportboek. Achteraf gezien ben ik daar ook erg door beïnvloed. En natuurlijk de klassieker onder de klassieker op het gebied van sportboeken: De Renner van Tim Krabbé.’

Wat is uw favoriete roman?
‘The Great Gatsby, van F. Scott Fitzgerald. Het enige boek waarbij ik na het lezen van de laatste bladzijde gelijk weer opnieuw ben begonnen bij bladzijde één, zo goed vond ik het. En nog steeds. Ik herlees het regelmatig. Voornamelijk vanwege de stijl. Een elegante manier van schrijven, ogenschijnlijk moeiteloos, waarbij je het gevoel krijgt dat elk woord op precies de juiste plek staat. Ongeëvenaard goed.’

Foto: Pieter Stam de Jonge
Foto: Pieter Stam de Jonge

Wat is volgens u de beste roman die over sport is geschreven?
‘Eerlijk gezegd ken ik niet zo veel goede romans over sport, maar dat ligt ongetwijfeld aan mij.’

Wat leest u op dit moment?
Babbitt van Sinclair Lewis.’

Bent u al met een volgend boek bezig? Of heeft een u al een idee waar uw volgende boek over gaat?
‘Ja, ik ben bezig met het bundelen van mijn beste verhalen over Feyenoord. Die club heb ik bijna vijftien jaar over de hele wereld gevolgd. Ik heb er veel over geschreven en de stukken waar ik het meest tevreden over ben komen in De Snor van József Kiprich, dat in het najaar uitkomt.’

Erwin Reijers